In een wereld waarin iedereen op internet een nickname heeft, jobhopper is of wereldburger wil zijn, vervluchtigt onze identiteit en wordt de vraag ‘wie zijn we?’ steeds lastiger.

In dit boek halen Stine Jensen en Rob Wijnberg diverse grote denkers aan die geprobeerd hebben de mens te definiëren en voegen hier hun eigentijdse visie aan toe.

Zelfbeeld

Als jonge filosofen bespreken ze filosofische vragen en dilemma’s van nu, zoals: Hoe bepalen we anno 2010 onze identiteit? Zijn we ons innerlijk of ons uiterlijk? Hoezeer wordt ons zelfbeeld bepaald door de beeldenstroom om ons heen? Wat heeft keuzestress met identiteit te maken? Waarom willen we allemaal een iPhone in de hand en Uggs aan de voeten? En willen we dat eigenlijk wel echt of volgen we blindelings de ‘mode’? Waarom juichen we en masse voor Oranje, maar voelen we ons nauwelijks Europeaan? En waarom is liefde zo cruciaal voor onze identiteit?

Digitaal profiel

De zoektocht naar een identiteit is een universeel onderdeel van het mensenleven waarin sinds enige tijd ook de massamedia een rol spelen. De democratie is een mediacratie geworden en de cultuur een beeldcultuur. Het werkelijkheidseffect geeft beelden een vanzelfsprekende legitimiteit met een ‘iconisch’ karakter als resultaat.
Het digitale profiel, op websites als Facebook en Hyves, is de modernste vorm om onze identiteit te beschrijven en uit te dragen. Jensen en Wijnberg zien dit niet als een hedendaagse modegril, maar als resultaat van het existentialisme (wat ik doe is wie ik ben) en het achttiende-eeuwse verlichtingsdenken (wat ik vind is wie ik ben).

Lijden als bestaansrecht
Hoofdstuk 6, getiteld ‘Ik lijd, dus ik ben’, opent met een foto van een ondervoed en betraand jongetje uit een campagne van Stichting Vluchteling. Volgens de jonge filosofen erkennen wij (het rijke Westen) bepaalde landen voor zover ze lijden (Afrika). Hun lijden geeft hun bestaansrecht. Ze lijden, dus ze zijn. Als Afrikanen niet lijden, bestaan ze niet voor ons.
Ze halen pessimistisch filosoof Arthur Schopenhauer aan volgens wie lijden volstrekt zinloos is, maar die erop wijst dat het ons er wel bewust van maakt dat we zijn. Wie zelf niet ernstig of ten minste een beetje lijdt, consumeert volgens de auteurs graag de lijdensverhalen van anderen. Zie het succes van Kluuns tranentrekkende bestseller Komt een vrouw bij de dokter.

Fleur of Fatima?

In het hoofdstuk ‘Ik heet, dus ik ben’ vragen de auteurs zichzelf af hoe vormend namen zijn voor de identiteit? Maakt het voor je karakter uit of je Fleur of Fatima heet? Kun je op grond van de naam voorspellen hoe iemand is? Volgens de PVV wel, die partij verzocht om een overzicht van de meest voorkomende babynamen (in de vier grote steden stond Mohammed in de top 5) en denkt uit iemands naam ook iemands denkwijze te kunnen afleiden. Een redenatie die het schrijversduo verbindt aan de objectivistische platoonse visie op namen waarbij alle Mohammeds gereduceerd worden tot het ‘idee’ Mohammed.

Stof tot nadenken

Het zijn slechts twee uit vele voorbeelden waarin de auteurs hedendaagse dilemma’s en actuele vraagstukken op heldere wijze verbinden aan eeuwenoude en vernieuwende filosofische denkbeelden. In de proloog geven de auteurs aan dat ze met dit boek niet pretenderen een totaaloverzicht te geven. Toch biedt Dus ik ben veel stof tot nadenken. Bovendien lezen de elf hoofdstukken dankzij de vlotte en beeldende schrijfstijl fijn weg. Een aanrader, zeker aangezien, zo schrijven de auteurs, ‘er maar weinig is wat de mens meer bezighoudt dan zichzelf’.