De tweede roman van een van de meest gelauwerde schrijvers van Israël is een briljante allegorie over de aanzet van het MO-conflict.

Huize Rajani speelt zich af in en rondom Jaffa, vlak voor 1900. Isaac Loeminski is een agronoom uit Europa die in het Midden-Oosten land wil kopen om te bewerken.

Saleh is een twaalfjarige Arabier met paranormale gaven die met zijn moeder (zijn vader is altijd weg) een vruchtbaar landgoed bewoont.

Isaac schrijft, en Saleh schrijft. Ze ontmoeten elkaar en schrijven over deze ontmoetingen. De brille van Hilu is dat deze twee mensen met dezelfde belevenissen hun eigen visie geven op wat zij meemaken, en gaandeweg tot uiteenlopende conclusies komen.



De een ziet – of meent te zien – wat de ander niet ziet. De een meent te begrijpen wat de ander bedoelt. Wat de een voor waarheid aanneemt is voor de ander flauwekul. Het is de wereld in een notendop, en Hilu verbeeldt met Huize Rajani briljant hoe zulke individuele percepties kunnen ontsporen.

Twee werelden

Beide hoofdpersonages krijgen om beurten het woord, als in een correspondentie. Een die helaas aan henzelf is gericht. Het bittere is immers dat als het een briefwisseling was geweest, hun aanvankelijke vriendschap waarschijnlijk niet in een hevige strijd was ontaard.

Hilu beperkt zich dan ook niet tot beider belevenissen op het landgoed. Bij monde van Isaac en Saleh wordt met caleidoscopische kracht een beeld geschetst van twee werelden die op zelfbehoud uit zijn.

Waarin logica, wetenschap, zelfbeheersing, ongeduld en opportunisme slaags raken met tradities, magie, visioenen, listige djinns, boze geesten, geloof en bijgeloof.

Tegen stelligheid

Net als in zijn vorige roman, De dood van een monnik (over een homoseksueel in het Damascus van 1844) laat Hilu met weelderig archaïsch proza een verleden op onnavolgbare wijze herleven.

Het verleden van een gebied waar de warmte van de zon en de vruchtbaarheid van de aarde verworden tot schroeiend racisme en territoriaal geweld.

Huize Rajani is als een pleidooi tegen de stelligheid, een milde stem tussen het geloei van overtuigde kemphanen. Een stem die niemand veroordeelt maar die heel mooi, wijs en zuiver ons onvermogen weergeeft om elkaar volledig te begrijpen. Aan alles valt te tornen, maar daaraan niet, helaas.