In deze autobiografie beschrijft Ayaan hoe beschavingen en idealen met elkaar botsen, en welke gevolgen dat heeft voor mensen als zijzelf.

Als je in gevangenschap hebt geleefd, waardeer je vrijheid des te meer. Bewaak die vrijheid.

Dat is de portee van Ayaans autobiografie Nomade, het boek waarmee ze naar eigen zeggen antwoord geeft op de vragen die haar werden gesteld naar aanleiding van haar voorlaatste biografische boek, Mijn Vrijheid.

En er waren nogal wat vragen om op in te gaan. Over haar jeugd, over haar ouders, over haar vertrek uit Nederland, over haar nieuwe leven in Amerika.

Tegelijk lanceert Ayaan in Nomade een nieuw idee om de radicalisering van moslims in het westen te keren nu de politiek – in Nederland althans – zich grotendeels van het voormalige VVD-kamerlid heeft afgekeerd.

Vrouwenbevrijding

Ayaan vestigt haar hoop op een mondiaal instituut, de christelijke kerk, om radicalisering onder moslims tegen te gaan. Die oproep aan de christelijke kerk is gebaseerd op het verlichtingsdenken dat de kerk heeft doorgemaakt, en het instituut derhalve een antwoord zou kunnen bieden op ‘moslims die een god zoeken en tegen Allah aanlopen’.

Ayaans hang naar vrijheid – en bevrijding van de vrouw in die wereld – is alleszins begrijpelijk, met haar jeugd in een tribale samenleving. Daarom roept ze ook feministische bewegingen op zich over de onderdrukte islamitische vrouw te ontfermen.

En daar boekwinkels inmiddels uitpuilen van de verhalen door vrouwen die erin zijn geslaagd hun verstikkende katoenen juk af te werpen, is die oproep niet overbodig. Ook niet met het westerse straatbeeld waar de onder doeken weggestopte vrouwengestalten, met hun immer vreugdeloze ogen en samengeknepen gezichten, inmiddels een vertrouwd beeld vormen.

Onorthodox

Om de hulp van de kerk in te roepen is uiteraard een ongewone zet, maar hij is ook niet zo vreemd. Tussen de regels door is Ayaans verdriet te lezen om alles wat ze heeft moeten opgeven: de vertrouwde dingen uit haar kindertijd en de verscheurde band met haar onverzettelijk gelovige familie.

Haar jeugdherinneringen zitten alleen nog in haar hoofd en kunnen nooit meer worden verlevendigd met directe zintuiglijke waarnemingen van de mensen, kleuren, geuren en geluiden van vroeger. Dat doet pijn.

Ayaan omarmt de vrijheid en het intellect van het westen, maar omgaan met het verlies van een groot deel van haar leven is een harde worsteling.

Vanuit haar empathisch vermogen verklaart ze hoe migranten uit tribale culturen, die van oudsher sterk gekant zijn tegen elke verandering, vanuit eenzelfde verliespijn hun heil zoeken in geloof – waarna ze als rijpe appelen in de schoot van vanuit islamitische landen gefinancierde fundamentalistische zendelingen vallen. Zendelingen die in het westen ruim baan krijgen.

Filosofisch

Het is een filosofische gedachte, de erkenning dat deze mensen behoefte hebben aan een religieus kompas. En tevens een die haar wel weer een paar extra bodyguards zal opleveren.

Opponenten zullen beweren dat het islamitisch geloof net zo veel zielenheil brengt als het christelijke (om maar niet te spreken van de radicale islamisten die de exclusieve waarheid claimen) en atheïsten dat heil niet in irreële godsbeleving zit.

Rellerig

Maar Ayaans boek is eerder filosofisch dan rellerig. Wat zij beschrijft is immers de strijd van elk individu; van iedereen die ‘is that all there is’ verzucht ook al hebben ze al hun schaapjes op het droge.

En dat wijst niet op een universele zucht naar iets goddelijks, maar naar de algehele weltschmerz die de mens eigen is omdat die zich afvraagt wat hij/zij hier toch doet. Het is de innerlijke strijd waarmee we allen dagelijks in meer of mindere mate het gevecht aanmoeten, en die niet vanzelfsprekend wordt ingelost met huisje-boompje-beestje of de gang naar een gebedshuis.

Het is de strijd die door externe figuren ook handig wordt uitgespeeld om mensen tegen elkaar op te zetten (externe figuren die daarmee weer de aandacht van hun eigen innerlijke strijd trachten af te leiden, het is een vicieuze cirkel).

Keurslijf

Ayaans boodschap is evenwel duidelijk: de vrijheid om die innerlijke strijd naar eigen individuele behoefte uit te vechten – zonder anderen daarbij in een keurslijf te dwingen – is te verkiezen boven een door anderen opgelegde totalitaire leer.

En de vrijheid die we in het westen hebben om die innerlijke strijd het hoofd te bieden (via zelf gekozen richtingen als studie, gezin, levensstijl, carrière, reizen, kunst, intellect, inzet voor je medemens – onze mogelijkheden hiertoe zijn eindeloos) is een groot goed dat we moeten we verdedigen.