Vijf zonderlinge mensen stevenen af op het einde der tijden. Een geestig én zwaarwegend verhaal met interessante theses over onze status quo.

Wij zijn de Romeinen al voorbijgestreefd. Nu de decadentie ons niet heeft gebracht waar we op hoopten, heeft angst als leidraad de overhand gekregen.

Van Straten mag het er in zijn laatste roman Smet wel erg dik bovenop smeren met zijn louter door fobieën geplaagde personages, hij geeft hier wel een erg interessante en vaak geestige kroniek van een samenleving op drift.

Smet zou de verbeelding kunnen zijn van de laatste fase die Nederland wacht. En aangezien een ‘nationale mental coach’ nu al op serieuze reacties mag rekenen, lijkt de auteur wel een profeet.

De fobieën

We maken kennis met Van Stratens surreële vijftal. Om te beginnen Darryl Flesje, een Antilliaanse weduwnaar annex bibliothecaris met een ernstige vorm van smetvrees. Zijn dochter loopt in een veel te korte rok (“ga toch de tijd mee, pap”) en zijn zoon is de nagel aan zijn doodskist: een drugsdealende loverboy.

Dan heb je nog Betsie Dekkers; zij zit gekluisterd aan een rolstoel en heeft pleinvrees. Haar huishoudelijke hulp is de Thaise Boonchan. Boonchan heeft van het leven zo’n opdonder gehad dat ze zich uitleeft in humoristisch commentaar als een wortelkanaalbehandeling zonder codeïne.

Apocalyptische angst

En dan is er Tonny Ickenroth, met zijn blinde zoon Timo. Tonny heeft het Gilles de la Tourette-syndroom maar dat is zijn minste zorg. Hij koestert een burleske angst voor de Apocalyps en bakt er als alleenstaande vader weinig van door zijn angsten op zijn gehandicapte zoon af te wentelen.

Betsie formeert een praatgroep voor Darryl, Boonchan en Tonny, en later voegt ook Timo zich bij de geteisterden.

Uit hun eerste ontmoeting, die hilarisch ontspoort in drank en seks, ontstaat de ‘Genootschap’, en dan is het zomaar de stille Timo die een idee lanceert om de aandacht van hun fobieën af te leiden. Zij kunnen hun leven weer inhoud geven door gezamenlijk Darryls zoon te gaan redden.

Cuckoo’s Nest

Wat is dat een geweldige wending in deze roman, die even dreigde te verzanden in een Cuckoo’s Nest zonder eind. Niets illustreert zo duidelijk de wankele transitfase waarin deze mensen verkeren dan deze strohalm aan te grijpen uit een verloren epoque waarin altruïsme ooit bonton was.

Met die doelloze orgieën, drank, drugs en angst alom, is Smets decor gekleurd door de macabere uitwassen van de nieuwe tijd. En omdat niet één zich daarin overeind weet te houden, zetten ze in hun machteloosheid een enterhaak in het oude vertrouwde.

Literair zoekinstrument

Maar in een gewaagde en compromisloze roman blijken oude waarden geen universele. Hun actie loopt niet alleen rampzalig af, de transitfase wordt ook op een Bijbelse manier afgekapt.

Of Van Straten hiermee bedoelt dat de nieuwe tijd te hoog gegrepen is, voor iedereen, de hele mensheid, of dat hij knipoogt: “Kijk, hebben ze zich al die tijd voor noppes druk lopen maken” – dit staartstuk roept dat soort vragen op.

Bovendien gaat er in de plooien van het verhaal een nog niet gedefinieerde nieuwsgierigheid schuil naar andere manieren om de nieuwe tijd te tackelen dan middels een armageddon.

En is Smet, of de literatuur an sich, een zoekinstrument voor een auteur die zichzelf allerlei vragen stelt en met interessante antwoorden komt. Dat is nog eens wat anders dan het cliché ‘beloftevolle schrijver’.