‘100 miljoen Opel Corsa’s. Om die te kopen heb je net zo veel geld nodig als het bedrag dat het Westen sinds de Tweede Wereldoorlog in totaal heeft uitgegeven aan ontwikkelingshulp: 2,3 biljoen dollar. In cijfers: 2.300.000.000.000.'

'Met dat geld kun je ook vierhonderd Betuwelijnen aanleggen of gedurende 10 miljoen jaar het salaris van de Nederlandse premier betalen’, met deze heldere woorden verwelkomt Tobias Reijngoud de lezer.


Ontwikkelingshulp. Het blijft voortdurend een actueel onderwerp, waarvoor veel aandacht is in politiek en media. Op 17 juni jongstleden riepen een aantal prominente Nederlanders in een open brief in Trouw nog op tot een ander debat over ontwikkelingssamenwerking.

Ze ergerden zich eraan dat de discussie in Nederland zich toespitst op kritiek en op bezuinigingen op het hulpbudget. Niet alleen prominente Nederlanders winden zich op, vrijwel iedereen heeft wel een mening over de zin of onzin van hulp.

Hulp

Er zijn maar weinig onderwerpen die zo veel emotie opwekken als de ‘eenvoudige’ vraag of hulp eigenlijk wel helpt. De geschiedenis van de hulp is bezaaid met zowel mislukkingen als successen. Er zijn goede argumenten vóór hulp en er zijn goede argumenten tegen.

Discussiepunten op een rijtje

Na antwoord te hebben gegeven op de vraag wat ontwikkelingshulp nu eigenlijk is, zet Reijngoud de argumenten van voor- en tegenstanders over de acht belangrijkste discussiepunten op een rijtje: wat gebeurt er nu eigenlijk precies met het hulpbudget?

Komt het geld daadwerkelijk terecht bij arme mensen, of verdwijnt het grotendeels in de diepe zakken van corrupte leiders? Helpt hulp arme landen om op eigen benen te staan, of legt het hen juist aan een infuus en maakt het ze afhankelijk van het rijke westen?

Is het eigenlijk wel mogelijk om arme mensen met hulp vooruit te helpen; moeten ze niet gewoon harder werken? En hebben hulporganisaties wel echt tot doel om arme landen te helpen, of zijn ze vooral bezig zichzelf in stand te houden?

In vogelvlucht

In het derde hoofdstuk vat Reijngoud zestig jaar ontwikkelingshulp samen; van de eerste landelijke campagne van Novib tot het beleid van de huidige minister voor Ontwikkelingssamenwerking Bert Koenders.

De almaar groeiende Chinese interesse in Afrika staat in hoofdstuk vier centraal: voor veel Afrikaanse regeringen zijn de hulpdollars uit Beijing een welkom alternatief voor de steun van de traditionele donoren uit het Westen.

In tegenstelling tot de waslijsten van westerse geldschieters stelt China nauwelijks eisen aan het ontvangende land. Tot slot geeft Reijngoud nog een drietal handige overzichten van respectievelijk de grootste hulporganisaties, de belangrijkste hulpwoorden – het kan in een discussie immers nooit kwaad om er wat vakjargon in te gooien – en de meest toonaangevende boeken over hulp en aanverwante terreinen.

Spoedcursus ontwikkelingshulp

Met zijn vlotte pen wapent Reijngoud de lezer met achtergrondinformatie, historische perspectieven en argumenten voor een rationele discussie over de zin en onzin van hulp.

Ontwikkelingshulp in 2 uur en 53 minuten is een poging om het maatschappelijk debat over het nut van de hulp op een hoger plan te tillen, weg van de emoties. Reijngoud richt zich hierbij niet op noodhulp maar op ontwikkelingshulp die bedoeld is om landen op te bouwen en die vaak vele jaren achtereen wordt verstrekt.

Dankzij het overzichtelijke en objectieve karakter, de informatieve diagrammen, tabellen en grafieken, en de prikkelende quotes van deskundigen, vormt dit boek een toegankelijke bron voor de geïnteresseerde maar onervaren lezer op dit gebied. Een aanrader voor een ieder die in korte tijd, 2 uur en 53 minuten is de leestijd, meer wil weten over ontwikkelingshulp.