Interessante theorie over het miljoenenkoppige monster terrorisme: al die koppen zijn van zonen in te grote gezinnen die zichzelf moeten bewijzen.

De Poolse Heinsohn is wetenschapper en hoogleraar, en studeerde sociologie, economie, geschiedenis, psychologie en godsdienstwetenschappen. Een boeiende mix waardoor hij tot intrigerende conclusies is gekomen over de terreurdreiging uit de islamitische wereld.

Simpel gezegd: er zijn te veel gezinnen met heel veel zonen, en voor zoon 1 en 2 is er nog wel ruimte in een gezin. Het probleem is dat voor de rest geen werk is of een mogelijkheid om boven hun vader uit te stijgen en zich 'als man' te bewijzen, dus grijpen ze naar andere middelen. Geweld, om mee te beginnen.

Fabel ontkracht

Het is geen gangbare theorie, want op het politieke toneel wordt immers voortdurend geschermd met kansloosheid en armoe die het religieus fanatisme in de hand werken. Wel, dat sprookje wordt door Heinsohn ondubbelzinnig ontleed.

Wat de werkelijke oorzaak van deze geweldsgolf is, noemt Heinsohn de 'youth bulge' en dat betekent zoveel als een bevolkingsexplosie met een oververtegenwoordiging van jonge mannen tot gevolg. En deze testosteronbommen zoeken ijverig naar een uitklep. Met statistieken van demografische bewegingen toont Heinsohn aan dat deze youth bulge door de geschiedenis heen telkens voor omvangrijke conflicten zorgde.

Osama

Toevallig is los van deze studie net een boek verschenen over de familie van Osama Bin Laden van Steve Coll die Heinsohns theorie onderschrijft. Zonder naar Heinsohn te verwijzen - en hij maakt verder ook geen vermelding van de youth bulge - suggereert Coll dat het leven van Osama wel eens heel andere wending had kunnen nemen als de jonge Osama, die uit een gezin van 54 kinderen kwam met 25 zonen, een prominente plek had gekregen in het familiebedrijf.

'Ergens tussen de 17de en 21ste zoon' schreef de Arabische etiquette voor dat Osama's leven minder bevoorrecht was dan dat van de eerstgeborenen, en voilá, zo bekrachtigt hij met een praktijkvoorbeeld al Heinsohns theorie.

Hypocrisie

Maar Heinsohn maakt met wel meer gangbare definities korte metten. Hij zal geen vrienden oogsten met zijn glasheldere uiteenzetting dat Arabische prinsen wel eens erg onblij kunnen worden als Israël van de kaart wordt geveegd - wat een droom is van veel Arabieren - want welk excuus heeft de Arabische wereld dan nog voor hun nijd?

En waarom staat andere groepen kolonisten zoals de miljoenen Chinezen in Tibet en Sinkinag, de miljoenen Arabieren in het Irakese Koerdistan en het Algerijnse berberland en de miljoenen Russen in Estland, Letland en Tsjetsjenië niet op de wereldagenda maar de joden in Israël wel? Daar zijn de autonome volkeren net zo boos over als de Palestijnen, maar hé, je zult er geen mens over horen.

Generalist

Heinsohn ontleedt aan de hand van geschiedkundige ontwikkelingen allerlei hete hangijzers van de 21ste eeuw. Met zijn gevarieerde studie-achtergrond is hij een generalist die een caleidoscopische visie op de huidige problematiek kan loslaten. Hij werkt van micro- naar macroniveau, en kleurt zijn visie en conclusies in op basis van een generalistische kennis waar geen woord Chinees bij zit.

Hij verkondigt ook standpunten waarmee hij sommigen tegen de haren zal instrijken, maar wetenschappers hebben daar geen boodschap aan: die presenteren de feiten en interpreteren ze. En je moet van goeie huize komen wil je de allesomvattende kennis van iemand als Heinsohn kunnen pareren; ideologische politici zouden geen schijn van kans maken tegen deze man, die ministers als Vogelaar nog wel een thing or two zouden kunnen bijbrengen.

Uitgeverij Nieuw Amsterdam

Oorspronkelijke titel: Söhne und Weltmacht.