Een pedant jong ventje babbelt zich met wat pedante praatjes de brave middelmaat in.

Met Hyper van Jacob van Duijn was mijn vertrouwen hersteld in jonge schrijvers van de patatgeneratie. Van Duijn bewees dat verwende blaaskaken uit het warme badje zich wel degelijk konden roeren op literair gebied. Van Duijn mocht dan nog niet compleet gemangeld en verwrongen zijn door lebensschmerzen, wat hij heeft opgedaan op zakelijk en persoonlijk vlak, wist hij zondermeer interessant te verwoorden in zijn zeer onderhoudende boek Hyper (2005).

Groentjes

Vol hoop dus begonnen in Galerie Onvolmaakt; een hoop die al snel de bodem in werd geslagen. Het geneuzel van een paar groentjes die net om het hoekje komen kijken, was misschien nog een nieuwigheidje waar Ronald Giphart in de nineties mee wist te scoren. Maar dat kabbelende toontje met wat studentikoos gegrap verveelt veel te snel en maakt geen debuutroman waarmee een nieuwe ster is geboren.

Centraal in Galerie Onvolmaakt staat Mees Blaeu. Jong, met hip soapstervriendinnetje, veel vrije tijd (uiteraard) en hij weet beter dan volwassenen (uiteraard) hoe zij de jonge doelgroep moeten aanspreken. Mees vertelt zijn verhaal in zaaltjes voor een gebiologeerd ouder publiek dat verheugd applaudisseert en een stuk wijzer de deur uitloopt. Dankzij Mees. Wat ze nu precies wijzer zijn geworden bestaat uit dermate belegen kulformules dat Mees die ouwe lullen in real life nog maar eens een keertje moet vragen of ze hier echt in zouden trappen.

Groeikunst

'n Ander plannetje van het pedante Meesje is een soort van groeikunstbedrijfje; doeken verkopen waar de Kunstenaar om de zoveel tijd wat aan toe komt voegen. Zelfs op papier is dat geen leuk idee noch een dat ook maar een splinter brandhout snijdt. Niet dat dit verder iets uit had hoeven maken, want schappen in de bibliotheek puilen uit van verhalen waarin dwaasheden of lijpe ideeën aanleiding vormen tot fabuleuze vertellingen, maar dergelijke fantasie is bij Wybenga ver te zoeken. Het blijft allemaal zonder smaak of sjeu op datzelfde marginale, zelfingenomen vliesje rond trippelen.

Worst

Dat krijg je als eendimensionale personages (op de namen na inwisselbaar) het verhaal de diepte noch de hoogte intrekken. Het zijn Sesamstraatpoppen waar de hand uit is gehaald. Er is geen drama, geen spanning, geen conflict dus ook geen apotheose, dus het zal je als lezer worst zijn wat er met deze mensen gebeurt. En worst = nekschot. Het is niet eens hun middelmatige braafheid die zo saai is; het is eerder alsof hen alles ontgaat wat niet met henzelf te maken heeft, en over hen zelf valt ook vooralsnog weinig te melden. Mocht Wybenga al iets observeren of voelen, hij heeft het in elk geval niet opgeschreven. Noch heeft hij een stilistische manier om die middelmatigheid an sich weer - literair - interessant te maken. Want ook dat kan hoor. Voorbeelden te over.

Stemloos

Niks dan slechts over deze Spunksurfer die op broze waterski's achter speedbootje 'hype' wordt aangesleurd? Toch wel iets. Want in Wybenga's schrijfstijl valt met wat goede wil nog wel een zekere aanzet tot een eigen stijl te ontdekken. Een vaste, zelfverzekerde hand. Alleen jammer dat hij nog weinig soeps te melden heeft. De ledigheid van de patatgeneratie heeft wel in Van Duijn maar niet in Wybenga een stem gevonden.

Uitgeverij De Bezige Bij.