Oorlogsarchief komt online in Den Haag, minister wil geen bezoekers controleren
Het oorlogsarchief in Den Haag wordt vanaf 1 juli digitaal doorzoekbaar. In dat archief staan onder meer persoonsgegevens van mensen die na de Tweede Wereldoorlog op collaboratie zijn onderzocht. Er gelden privacyregels, maar onderwijsminister Eppo Bruins wil bezoekers niet controleren.
Het gaat om het project Oorlog voor de Rechter, dat zo'n 425.000 namen bevat. De namen komen allemaal voor in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). Het archief zou al eerder digitaal worden gemaakt, maar dat werd uitgesteld omdat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) bezorgd was over de privacy van nabestaanden.
Minister Bruins stelde daarom een tijdelijke regeling in, waarbij mensen het papieren archief alleen in een studiezaal konden bekijken. Daar komt nu verandering in. Op 23 juni, een week voor de opening, kunnen belangstellenden op de website van het Nationaal Archief een plek achter een van de vijf beschikbare computers reserveren.
Maar de minister neemt niet alle adviezen van de AP over. Zo wil hij het zoekgedrag van de bezoekers niet controleren. Hij vindt het een inbreuk op de privacy om zoekgedrag te volgen, vast te leggen en te controleren van bezoekers die onderzoek doen naar het lot van hun familie of vanuit wetenschappelijk perspectief onderzoek doen.
Wetsvoorstel Bruins gaat 'te ver'
Het is volgens Bruins "van groot belang" dat het oorlogsarchief wordt gedigitaliseerd. "Alleen door het archief te digitaliseren en volledig doorzoekbaar te maken, is het mogelijk voor bijvoorbeeld nabestaanden van slachtoffers of buren van onderduikverleners in het archief te zoeken."
"Zij kunnen voor het eerst zoeken op de naam van slachtoffers of plaatsen. Dat opent nieuwe mogelijkheden om na tachtig jaar te kunnen achterhalen wat het lot was van familie of andere dierbaren in de oorlogsjaren."
Bruins spreekt dan ook van een "tijdelijke noodoplossing". De minister heeft een wetsvoorstel ingediend om de Archiefwet aan te passen. Hij wil dat het CABR volledig openbaar wordt gemaakt, waardoor mensen de namenlijsten thuis zouden kunnen bekijken.
In het oorlogsarchief kunnen ook namen opduiken van mensen die nog leven. Zulke gegevens online openbaar doorzoekbaar maken is volgens de AP "in algemene zin onaanvaardbaar".
