De verdachte in de zaak rondom de dood van de negenjarige Gino beging in 2017 ook al een zedendelict. Specialisten schatten toen dat het gevaar op herhaling (ofwel recidive) matig was. Het bepalen van dit recidivegevaar is een van de moeilijkste taken binnen justitie, leggen experts uit. "Je kan niet al het toekomstgedrag voorspellen."

De straf voor een zedendelinquent wordt bepaald door de rechter. Dat gebeurt doorgaans met hulp van forensisch psychologen of forensisch psychiaters die de verdachte onderzoeken, legt emeritus hoogleraar Reclassering Peter van der Laan uit.

Die deskundigen maken onderscheid tussen zogeheten statische en dynamische factoren, voegt Jan Hendriks toe. Hij is bijzonder hoogleraar Forensische Orthopedagogische Diagnostiek aan de Universiteit van Amsterdam. De vraag is of de factoren nog behandelbaar zijn (dynamisch), of dat deze factoren ook in de toekomst risicofactoren blijven (statisch).

Voorbeelden van statische risicofactoren zijn:

  • Gescheiden ouders en/of andere moeilijke omstandigheden in de jeugd;
  • Een matige intelligentie of licht verstandelijke beperking;
  • Een afwijkende seksuele voorkeur (pedofilie).

Een voorbeeld van een dynamische factor is bijvoorbeeld een stoornis zoals ADHD, legt Hendriks uit. "Daar zijn medicijnen voor." Deskundigen nemen ook recente problemen onder de loep, zoals ruzies met partners, een mogelijk ontslag of het ontbreken van een seksuele relatie. "Dat zijn acute problemen waardoor mensen iemand te grazen kunnen nemen."

Hendriks noemt een belangrijke vuistregel: hoe meer problemen in het verleden worden aangetoond, des te groter de kans is dat er in de toekomst opnieuw problemen ontstaan.

Zo vaak mogelijk ambulante behandelingen

De deskundigen maken vervolgens de balans op in de zogenoemde pro Justitia-rapportage. Daarna bepaalt de rechter de straf. Volgens Van der Laan wordt bij minderjarigen ook specifiek gekeken naar de manier waarop zij de juiste hulp kunnen ontvangen, omdat zij nog volop in hun ontwikkeling staan.

Hendriks voegt toe dat er zo vaak mogelijk wordt gekozen voor zogeheten ambulante behandelingen. Dat is hulp die de verdachte in de thuissituatie ontvangt. "Deze trajecten worden veel vaker opgelegd dan tbs. Dat is echt een uitzonderingsmaatregel voor de heftigste gevallen."

Een woordvoerder van Reclassering Nederland voegt toe dat de rechter ook enkele andere middelen tot zijn beschikking heeft. Zo kan het zijn dat een zedendelinquent een enkelband moet dragen of een gebiedsverbod opgelegd krijgt.

Behandelingsduur hangt af van recidivegevaar

Het gemiddelde ambulante behandelingstraject duurt volgens Hendriks zo'n een tot twee jaar. Bij tbs is dat gemiddeld zo'n acht tot negen jaar. "Maar het hangt uiteraard af van het recidivegevaar", voegt hij toe. De meeste verdachten krijgen tijdens dat traject veel therapie van bijvoorbeeld pedagogen en psychologen.

De experts toetsen meerdere keren of de zedendelinquent stappen heeft gezet. Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken of de verdachte op tijd komt voor afspraken, zegt Hendriks.

Waar tbs door justitie verlengd kan worden, zit aan een ambulant behandeltraject volgens de strafmaat een einddatum. Er kan daarna nog wel vrijwillige nazorg volgen, voegt Reclassering Nederland toe. "Veel zedendelinquenten worden namelijk niet meer opgenomen door hun oude omgeving, omdat ze niet (meer) geaccepteerd worden."

Voor hen is er een programma met professionals en vrijwilligers die voor hen een sociale kring vormen. Door eenzaamheid en isolatie te voorkomen, wordt het recidivegevaar ook verkleind.

Zeer weinig recidive

In de zaak rondom Gino is de verdachte 22 jaar. Bij zijn eerste vergrijp in 2017 was hij zeventien jaar. Volgens Hendriks lopen mensen tot dertig jaar een relatief groter zedenrecidivegevaar dan ouderen. Maar in beide leeftijdscategorieën is de kans op herhaling klein.

In Nederland slaat zo'n 3 procent van alle jeugdige zedendelinquenten opnieuw toe. Dat is volgens hem vergelijkbaar met andere landen wereldwijd.

Elke veroordeelde zedendelinquent die opnieuw toeslaat, is er een te veel, vindt ook Hendriks. "Maar je kan niet alles voorkomen. We kunnen factoren behandelen waar we zicht op hebben, maar er is ook heel veel wat we niet weten. Komt die persoon in de toekomst foute vrienden tegen? Wordt hij een keer dronken of uitgedaagd? Het volledige toekomstige gedrag voorspellen is onmogelijk."