Rechtbank wijst schadevergoeding voor slachtoffers van Japanse bezetting af
Slachtoffers van de Japanse bezetting van voormalig Nederlands-Indië hebben geen recht op een vergoeding van de Nederlandse Staat voor oorlogsschade. De rechtbank in Den Haag deed woensdag uitspraak in de zaak en wees de geëiste compensatie af, onder meer omdat de vorderingen zijn verjaard.
Stichting Japanse Ereschulden, een belangenorganisatie van slachtoffers van de Japanse bezetting, wilde een vergoeding voor de schade die slachtoffers hebben geleden in het voormalig Nederlands-Indië. Het gaat naast de stichting om vijftien Nederlanders die een schadevergoeding van de Staat eisten. Onder de eisers zijn zowel mensen die zelf slachtoffer zijn geweest als familieleden van slachtoffers.
Tijdens de bezetting die van 1942 tot 1945 duurde, sloot Japan burgers en krijgsgevangenen op in Japanse concentratiekampen. Hier werden mensen uitgehongerd, ingezet als dwangarbeiders en gemarteld. Ook vonden er executies plaats. Japan capituleerde op 15 augustus 1945.
De groep vindt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door Japan de schade te laten afkopen, wat volgens de betrokkenen gebeurde via het Vredesverdrag van San Francisco in 1951 en het Stikker-Yoshida-protocol in 1956. In het vredesverdrag hebben de geallieerden laten vastleggen dat zij afstand doen van alle overige eisen tot schadevergoeding van henzelf en hun onderdanen.
De Stichting Japanse Ereschulden hoeft gezien "de bijzondere aard van de procedure" niet alle proceskosten te betalen. De partijen dragen hun eigen proceskosten.
