Advies aan Hoge Raad: Onvoldoende bewijs voor medeplegen moord na festival
Van Seggeren bezocht op 8 juli 2017 een festival in het Friese dorpje De Westereen. Zijn ontzielde lichaam werd een dag later aangetroffen in een weiland in de buurt van het festivalterrein.
Zijn partner B. heeft altijd ontkend iets te maken te hebben gehad met de dood. Haar veroordeling was gebaseerd op onder meer telefoongegevens en camerabeelden van een tankstation die bewijzen dat ze ten tijde van de moord in de buurt van het weiland was.
B. zou geen goed huwelijk hebben gehad met Van Seggeren, en dat was volgens het hof het motief voor de dood. Ze zou vlak voor zijn dood een levensverzekering hebben afgesloten. De vrouw heeft de moord volgens het hof samen met iemand anders gepleegd, maar het is niet duidelijk wie deze tweede persoon is.
Betrokkenheid bij moord gebaseerd op indirect bewijs
De vrouw is echter veroordeeld op basis van indirect bewijs, ziet de advocaat-generaal. Daaruit kan volgens haar niet objectief worden afgeleid dat B. schuldig is aan het medeplegen, het gezamenlijk uitvoeren of het voorbereiden van de moord op Van Seggeren. "De veroordeling wegens het medeplegen van moord kan dan ook volgens de advocaat-generaal niet in stand blijven."
De Hoge Raad hoeft het onafhankelijke advies van de advocaat-generaal niet over te nemen. De uitspraak is op 19 april.
