Het Openbaar Ministerie (OM) zou wanneer het zelf strafzaken afhandelt meer oog moeten hebben voor de positie van slachtoffers. Dat schrijft de Nationale ombudsman in een brief aan demissionair ministers Ferd Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) en Sander Dekker (Rechtsbescherming).

Bij zaken die niet voor de rechter komen, krijgen slachtoffers minder mogelijkheden om bij te dragen aan de zaak, stelt de ombudsman. Dat komt zowel de uitspraak als het emotionele proces van de slachtoffers niet ten goede.

Het OM kan voor veel voorkomende strafbare feiten zelf een straf opleggen, een zogenoemde strafbeschikking. Dat kan bijvoorbeeld een geldboete zijn, een taakstraf of een schadevergoeding. Maar de slachtoffers worden hier niet of onvoldoende bij betrokken, waardoor ze slechter af zijn dan wanneer er wel een rechter aan te pas komt, aldus de ombudsman.

"Bij strafzaken die voor de rechter komen is wél ruimte voor het slachtoffer. Die heeft letterlijk een stem in het strafproces. Dat kan bijdragen aan het herstel van emotionele schade. Ook krijgt het slachtoffer zo de gelegenheid om zaken toe te lichten, zoals een verzoek om schadevergoeding", stelt de ombudsman. De informatie die slachtoffers delen, kan bovendien nuttig zijn voor de rechters om tot een oordeel te komen.

Slachtofferhulp Nederland en slachtofferadvocaten spraken eerder ook al hun zorgen hierover uit. Zij constateerden dat het OM, mede als gevolg van coronamaatregelen, steeds meer en ook zwaardere zaken zelf afhandelt. "Dan is het dus des te meer van belang dat het OM aandacht heeft voor slachtoffers", zegt de Nationale ombudsman.