Als er een slavernijmuseum komt, moet het direct aandacht besteden aan minder bekende gebieden waar Nederland in mensen handelde, zoals Indonesië en Zuid-Afrika. Dat adviseren de Raad voor Cultuur en de Amsterdamse Kunstraad maandag aan demissionair minister Ingrid van Engelshoven (Cultuur). Het kabinet is niet verplicht de adviezen van dergelijke raden over te nemen, maar doet dat vaak wel.

Dat er een slavernijmuseum komt is nog niet helemaal zeker, maar wel waarschijnlijk. Het demissionaire kabinet trekt van 2021 tot 2024 een miljoen euro per jaar uit voor de ontwikkeling van een "nationale voorziening slavernijverleden" in Amsterdam.

Zodra zeker is dat het museum er komt, moet het Nederlandse slavernijverleden in bijvoorbeeld Indonesië en Oost- en Zuid-Afrika meteen een plaats krijgen in de plannen, vinden de adviesorganen. Dus niet pas achteraf, want dat zou bezoekers een onvolledig beeld van het Nederlandse slavernijverleden geven.

Het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) pleitte in mei samen met het Museum zonder Muren en adviesbureau voor diversiteit IZI Solutions voor een zogenoemd trans-Atlantisch slavernijmuseum. Dat moet zich richten op de slavernij in Suriname en het Caribisch gebied.

NiNsee: 'Breder trekken mag niet tot vertraging leiden'

Op termijn zou dat slavernijmuseum aandacht moeten besteden aan de slavernij in bijvoorbeeld Indonesië en Oost- en Zuid-Afrika. Maar de Raad voor Cultuur en de Amsterdamse Kunstraad willen het museum dus meteen breder trekken.

NiNsee-directeur Urwin Vyent kan zich hierin vinden, zolang de komst van het museum hierdoor geen vertraging oploopt, zegt hij tegen NU.nl. "We willen zo snel mogelijk een slavernijmuseum hebben, dus we willen geen vertragende factoren." Ook de raden hopen dat het museum er snel komt.

Volgens Vyent dreigt er mogelijk vertraging doordat er nog veel onbekend zou zijn over het Nederlandse slavernijverleden in bijvoorbeeld Nederlands-Indië. "Dat moet nog goed worden onderzocht en misschien ook besproken met de Indonesische gemeenschap hier."

Nederzettingen van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) bij Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika. Nederland liet er van 1658 tot 1795 tot slaaf gemaakte mensen werken.

Nederzettingen van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) bij Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika. Nederland liet er van 1658 tot 1795 tot slaaf gemaakte mensen werken.
Nederzettingen van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) bij Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika. Nederland liet er van 1658 tot 1795 tot slaaf gemaakte mensen werken.
Foto: Rijksmuseum

'Dat het slavernijmuseum er moet komen, is duidelijk'

Volgens de Raad voor Cultuur en de Amsterdamse Kunstraad heeft het Nederlandse slavernijverleden te weinig aandacht gekregen. Daarom ontkomt Nederland niet aan een door het Rijk gerealiseerd slavernijmuseum dat dus een rijksmuseum wordt, stellen de raden in hun advies aan Van Engelshoven.

"Alle Nederlanders zouden in aanraking moeten komen met dit onderbelichte deel van onze geschiedenis en hoe dat doorwerkt tot op de dag van vandaag", aldus de adviesorganen. "Hier ligt een kans om het begrip over de slavernij en de doorwerking ervan in het heden onder de aandacht van alle Nederlanders te brengen."

De raden kunnen zich vinden in een voorstel voor een slavernijmuseum met een oppervlakte van zo'n 7.000 vierkante meter en een park eromheen. Ter vergelijking: het Rijksmuseum heeft een oppervlakte van 30.000 vierkante meter.

Omdat zo'n omvang een probleem kan zijn in Amsterdam, waar bouwgrond schaars is, is een slavernijmuseum in de omgeving van de hoofdstad ook een optie.