Het rapport van Signi Zoekhonden over een geurspoor van de nog altijd vermiste Sabrina Oosterbeek wordt niet toegevoegd aan het dossier van een drievoudige moordzaak. Het gerechtshof besloot hier vrijdag toe tijdens een zitting in het hoger beroep tegen verdachte Sjonny W.

Volgens het hof in Amsterdam is het geurspoor niet belastend of ontlastend voor W. en daardoor niet relevant voor het proces. Het hof legt hiermee een verzoek van de verdediging en de advocaten van de nabestaanden naast zich neer.

De particuliere organisatie Signi Zoekhonden werd kort na de verdwijning van de vrouw ingeschakeld door de nabestaanden. Oosterbeek keerde in maart 2017 niet terug nadat ze de nacht had doorgebracht bij W. De man wordt naast van de moord op Oosterbeek ook verdacht van het om het leven brengen van Monique Roossien in 2003 en Mirela Mos in 2004.

Op 2 juli 2017 pikte een zogenoemde mantrailhond de geur van Oosterbeek op. Die leidde tot een afvalpunt aan de Meerkerkdreef in Amsterdam. Na toestemming van de eigenaar betrad het team van Signi Zoekhonden op 8 juli het terrein en sloeg de hond aan bij een vuilcontainer.

Vervolgens werden er twee lijkhonden ingezet en ook die sloegen aan bij de vuilcontainer. Volgens Signi Zoekhonden blijft een lijkengeur langere tijd aanwezig op een plek.

Volgens recherche leverde informatie niets op

De politie kreeg de resultaten destijds overhandigd, maar volgens de recherche leverden die niets op. Daarom bleven de resultaten buiten het dossier. Doordat rechters hun uitspraak baseren enkel op wat in een dossier zit, bleef het geurspoor buiten beschouwing.

De verantwoording van de recherche waarom het spoor niets heeft opgeleverd, moet wel worden opgenomen in het dossier.

Sébas Diekstra, een van de advocaten die de nabestaanden bijstaan, zegt in een reactie dat het weigeren van het rapport niet te verkroppen is. De raadsman verwijst naar successen van Signi in andere strafzaken, zoals die rond de vermissing van Ichelle van de Velde.

W. kreeg in 2019 veertien jaar en vijf maanden cel met tbs en dwangverpleging voor de moord op Mos opgelegd. Van de beide andere aanklachten werd hij vrijgesproken.

In de zaak-Oosterbeek zei de rechtbank destijds "aan te nemen dat zij niet meer in leven is, maar dat niet kan worden uitgesloten dat zij een natuurlijke dood is gestorven". De betrokkenheid van W. was niet vast te stellen, aldus de rechtbank. Justitie had twintig jaar cel geëist. Volgens het OM was hij de laatste die alle drie de vrouwen in leven zag.