Tegen vier mannen en twee vrouwen uit Twente zijn dinsdag bij de rechtbank in Almelo celstraffen tot tien jaar geëist voor het afpersen en martelen van mensen van wie ze geld tegoed zouden hebben gehad. De hoogste strafeisen zijn voor de twee kopstukken van de bende, Dogan D. (32) uit Almelo en Johan D. (54) uit Goor. De overige vier komen er wat betreft het Openbaar Ministerie (OM) af met straffen van drie tot zes jaar.

De verdachten hebben zich volgens het OM in wisselende samenstelling schuldig gemaakt aan extreem gewelddadige afpersingspraktijken.

Eind april vorig jaar kwam de zaak aan het licht toen een slachtoffer zich na een nachtelijke gijzeling in het ziekenhuis had laten behandelen, waarna de politie werd gealarmeerd. Het slachtoffer zou naar eigen zeggen door een van de vrouwen zijn meegelokt naar een geheime plek, waar enkele mannen hem hadden overmeesterd om hem naar een bos te brengen. Hij zou zijn vastgebonden, geslagen en geschopt, met een mes en een bijl zijn bewerkt, een pistool tegen zijn hoofd gezet hebben gekregen en in een nabijgelegen kanaal zijn ondergedompeld. Hij liep er onder meer zwaar oogletsel van op.

Vervolgens wist de politie nog drie slachtoffers te achterhalen, die aanvankelijk uit angst geen aangifte durfden te doen. Alle slachtoffers waren ook actief in het criminele circuit.

"Geld was hun drijfveer, geweld hun gereedschap", aldus het OM, dat vermoedt dat er nog meer mensen slachtoffer zijn geworden dan de vier die ze hebben opgespoord.

De verdachten ontkenden in de meeste gevallen actief betrokken te zijn geweest bij de martelingen. Het OM vindt hun verklaringen echter volkomen ongeloofwaardig en baseert zich bij de bewijslast op onder meer bloedsporen in auto's en woningen en op allerlei voorwerpen en op afgeluisterde telefoongesprekken en chatverkeer. Ook had de politie beslag weten te leggen op talloze foto's en filmpjes die tijdens en na de martelingen waren gemaakt en, aldus de officier van justitie, "als trofeeën werden rondgestuurd".