Mensen met een lichamelijke beperking voelen zich bijna vijf jaar na het VN-verdrag Handicap nog steeds niet gelijk behandeld. Dat blijkt uit dinsdag verschenen onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).

Volgens het VN-verdrag Handicap moeten mensen met een lichamelijke beperking net zo goed kunnen meekomen in de samenleving als mensen zonder handicap. Dat betekent ook dat iedereen plekken gemakkelijk moet kunnen bereiken.

Hier blijkt vaak geen sprake van te zijn. Mensen met een fysieke beperking kunnen bepaalde plekken moeilijk bereiken en worden soms genegeerd of aangestaard.

Zo is het voor hen vaak lastig om onder meer sportclubs, horecagelegenheden en kleinere winkels te betreden. Dat geldt ook voor de buitenruimte: met name in binnensteden zijn stoepen en pleinen moeilijk begaanbaar. Verder hebben bioscopen, theaters en stadions geregeld weinig rolstoelplaatsen en ontbreekt belangrijke informatie om een bezoek voor te kunnen bereiden.

Behalve praktische barrières ervaren deelnemers ook sociale hindernissen. Zij krijgen te maken met starende blikken, ongeduld en respectloze opmerkingen. Dit lijkt volgens de onderzoekers voort te komen uit vooroordelen of ongemak. Verder gedragen medewerkers van bijvoorbeeld winkels en theaters zich soms onbeleefd; zo worden mensen genegeerd of neerbuigend toegesproken.

Het SCP heeft een onderzoeksgroep van 1.673 mensen geraadpleegd om de toegankelijkheid van verschillende plekken in kaart te brengen. Verder zijn gesprekken gevoerd met 38 mensen om nog meer te weten te komen over de onderliggende problemen.