De politie, het Openbaar Ministerie (OM) en de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) hadden het risico op de aanslag door Gökmen T. in een Utrechtse tram van tevoren kunnen verkleinen. Dat concludeert de Inspectie Justitie en Veiligheid in een onderzoek.

T. schoot in maart 2019 in een Utrechtse tram vier mensen dood. Vorig jaar kreeg hij een levenslange gevangenisstraf wegens de vier moorden, drie moordpogingen en bedreiging van nog eens zeventien mensen met een terroristisch misdrijf.

Volgens de Inspectie hadden de instanties voorafgaand aan de aanslag onvoldoende aandacht voor T., die bij hen bekend was. Ze hadden een "beter en completer beeld kunnen hebben van de dader".

De instanties hebben voor de aanslag in Utrecht de problematiek van T. niet goed genoeg met elkaar besproken en aangepakt. Daarmee hebben ze de risico's voor de samenleving niet zo klein mogelijk gemaakt.

De Inspectie benadrukt dat daarmee niet is gezegd dat de aanslag door T. voorkomen had kunnen worden. "Risico's kunnen nooit uitgesloten worden, maar het is wel zaak om deze zo klein mogelijk te maken."

De aanslag in Utrecht van uur tot uur
298
De aanslag in Utrecht van uur tot uur

Ook communicatie crisisorganisaties gebrekkig

Ook is de Inspectie kritisch op de werkwijze van crisisorganisaties in Utrecht na de aanslag. T. sloeg op de vlucht en de gemeente adviseerde inwoners om binnen te blijven.

Omdat relevante informatie tussen de organisaties te laat werd gedeeld, kon de gemeente niet volledig duidelijk adviseren wat inwoners moesten doen. Door de gebrekkige communicatie sloten bijvoorbeeld cafés de deuren, waardoor de gasten op straat kwamen te staan.

Verder werd volgens de Inspectie te laat opgeschaald naar een crisisstructuur en heerste er bij de politie verwarring over de te volgen procedures. Ook informatie over de mogelijke verblijfplaats van T. bereikte niet op tijd de zogeheten driehoek, bestaande uit de burgemeester, de politie en het OM.

Grapperhaus: 'Lering trekken uit evaluatie'

Demissionair minister Ferd Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) stelt dat conclusies uit de evaluaties en de analyse van de Inspectie grotendeels onderschreven worden worden.

"Gesprekken met verschillende nabestaanden en slachtoffers hebben een onuitwisbare indruk op mij gemaakt. Het sterkt mij ook in het voornemen dat we in onze rechtsstaat er alles aan moeten doen soortgelijke gebeurtenissen in de toekomst te voorkomen", aldus Grapperhaus.

In een reactie aan de Tweede Kamer liet Grapperhaus weten dat er sinds de tramaanslag concrete stappen zijn gezet. Zo wordt de opvolging en overdracht van signalen van radicalisering verbeterd, zowel binnen detentiecentra als tussen justitiële inrichtingen en ketenpartners zoals gemeenten. Ook wordt de communicatie tussen de DJI en het OM over strafbare feiten die in detentie plaatsvinden meer gestructureerd.

Ook korpschef Henk van Essen van de Nationale Politie onderschrijft hoe belangrijk het is om lering te trekken uit de evaluatie. "De afgelopen jaren hebben we gewerkt aan het verder professionaliseren van onze respons op het moment dat zulk geweld zich toch voordoet. Dat heeft ertoe geleid dat we Gökmen T. binnen enkele uren wisten te identificeren en lokaliseren. Toch zijn er ook voor de politie lessen te leren", aldus Van Essen.