Kinderen met lager opgeleide ouders hebben zich gedurende de coronacrisis op school minder ontwikkeld dan kinderen waarvan de ouders hoog opgeleid zijn. Tot die conclusie komt de Inspectie van het Onderwijs woensdag in de jaarlijkse Staat van het Onderwijs. De achterstand vergroot de kansenongelijkheid waar in het onderwijs al jaren sprake van is.

Het verschil tussen de ontwikkeling van kinderen was het grootst in de onderbouw van het basisonderwijs. In groep 4 behaalden leerlingen met lager opgeleide ouders op het gebied van rekenen en spelling slechts 85 procent van de groei die ze normaal doormaken. Bij kinderen met hoger opgeleide ouders was geen verschil te zien.

In de bovenbouw van het basisonderwijs stokte ook de leergroei van kinderen met hoger opgeleide ouders. Maar die daling van de ontwikkeling was groter bij leerlingen met lager opgeleide ouders.

De Onderwijsinspectie zag ook dat het inkomen van ouders een rol speelde bij de groei die kinderen op school doormaakten. Kinderen van wie de ouders een lager inkomen hadden, maakten minder leergroei door dan kinderen van ouders met een hoger inkomen.

Die verschillen waren ook te zien bij kinderen met een migratieachtergrond en leerlingen die dat niet hebben. De gevolgen van de coronacrisis waren het grootst voor leerlingen die niet in een westers land geboren zijn. Vergeleken met een normaal jaar maakten ze in groep 3 slechts 75 procent van de leergroei door. Voor leerlingen zonder migratieachtergrond was dat 89 procent.

Kansenongelijkheid kan leiden tot tweedeling

Al een aantal jaar komt de inspectie tot de conclusie dat de kansen niet gelijk zijn verdeeld. "Dat kan leiden tot een tweedeling", schrijft de inspectie. "Bijvoorbeeld tussen de grote groep leerlingen die goed toegerust ons onderwijs verlaat en de leerlingen die zonder goede beheersing van de basisvaardigheden en zonder goede kansen de maatschappij in gaan."

Wat de kansenongelijkheid versterkt, is dat een deel van de ouders voldoende geld en inzicht heeft om voor aanvullend onderwijs te betalen. "Doordat niet alle ouders aanvullend onderwijs kunnen betalen, krijgt onderwijs steeds meer kenmerken van een vrije markt", constateert de inspectie.

Inspectie wil dat miljarden gebruikt worden om onderwijs te renoveren

De Onderwijsinspectie vindt dan ook dat de 8,5 miljard euro die het ministerie van Onderwijs heeft vrijgemaakt om de corona-achterstanden in te halen niet alleen daarvoor moet worden gebruikt. "Als de ambitie van de reparatie is om het onderwijs terug te brengen tot de toestand van vóór 2020, dan zijn te veel leerlingen daar niet mee geholpen", schrijft de inspectie.

Daarom zouden miljarden volgens de instantie ook gebruikt moeten worden om het hele onderwijs te renoveren. Op die manier zouden de onderliggende oorzaken van de kansenongelijkheid kunnen worden aangepakt en dat kan de "noodzakelijke ommekeer" betekenen in de "al veel langer neergaande trend van vóór 2020".