Te weinig leerlingen halen aan het eind van het basisonderwijs het beoogde rekenniveau, concludeert de onderwijsinspectie vrijdag in het rapport Peil.Rekenen-Wiskunde. Volgens de inspectie komt dit onder meer doordat het rekenonderwijs onvoldoende is afgestemd op de potentie van de leerlingen.

Aan het einde van hun basisschooltijd moet 65 procent van de leerlingen het streefniveau 1S voor rekenen en wiskunde beheersen, zo is de ambitie die de Commissie-Meijerink in 2009 stelde. Dat was in 2019 net geen 33 procent, ziet de onderwijsinspectie.

Dat veel leerlingen niet het streefniveau 1S halen, komt volgens de inspectie doordat veel scholen niet op de hoogte zijn van dit streven. De scholen denken ten onrechte dat ze met de leerlingen moeten toewerken naar niveau 1F, terwijl dat niet het beoogde, maar het minimale rekenniveau is dat leerlingen volgens de commissie-Meijerink moeten hebben.

Daarnaast gaat er in de klas vaak veel aandacht naar leerlingen die moeite hebben met de rekenstof. Dat gaat ten koste van de aandacht die zou kunnen worden besteed aan leerlingen die nóg beter zouden kunnen rekenen. "Zelfs als zij vooruitgaan, dan is het de vraag of hun groeipotentieel wel voldoende wordt benut."

De onderwijsinspectie adviseert scholen om zich bewust te zijn van het verschil tussen het minimale rekenniveau 1F en het streefniveau 1S. Leerkrachten moeten daarnaast meer scholing krijgen om het rekenonderwijs effectief te geven, aldus de inspectie.