Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam is in gesprek om te kijken of er excuses gemaakt moeten worden voor het slavernijverleden van de stad. Hoe die excuses gemaakt moeten worden en of dat samen met Amsterdam of met het Rijk moet gebeuren zijn enkele van de vragen waarover het college de komende tijd in gesprek wil.

"Het college realiseert zich dat de samenleving behoefte heeft aan snelle antwoorden. Maar áls excuses gemaakt worden, dan moet dit ten volle gerealiseerd worden en moeten de woorden gewicht en bewuste consequenties hebben", staat in een brief aan de gemeenteraad. Het stadsbestuur wil zich de komende tijd bezinnen op de eventuele betekenis, voorwaarden en gevolgen.

Zo vraagt het college zich af of de excuses dan gelden "namens het college, het stadsbestuur inclusief de raad, voor de gemeente of voor alle Rotterdammers?" Het wil zich daarbij laten adviseren door wetenschappers en rechtsgeleerden.

Sinds een paar maanden is het stadsbestuur ook in gesprek met Amsterdam en het Rijk. De insteek hiervan is dat de stad graag wil dat er een nationaal onderzoek komt naar het Nederlandse slavernijverleden "omdat het niet alleen een probleem in de steden was".

De Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb riep eerder op tot nationale excuses, maar tot nu toe heeft het kabinet alleen "diepe spijt en berouw" getoond. Aan excuses zijn namelijk mogelijk aansprakelijkheidsgevolgen te verbinden, die kunnen leiden tot een schadevergoeding.

Rotterdam 'tot over de oren' in de slavernij

De vraag of Rotterdam zijn excuses moet aanbieden, volgt op een aantal onderzoeken naar het slavernijverleden van de stad. Zo concludeerde het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) dat Rotterdam "tot over de oren in de slavernij zat". In de stad verwijzen bijvoorbeeld 181 straatnamen naar die tijd.

Een van de maatregelen die het college verder neemt is het plaatsen van een duidelijk zichtbare toelichting bij koloniale straatnamen en beelden in de stad. Ook willen de burgemeester en wethouders dat het koloniale verleden een prominente plaats krijgt in het onderwijs over de Rotterdamse geschiedenis.