Het is voor slachtoffers van huiselijk geweld in Rotterdam te moeilijk om hulp en bescherming te krijgen. Dat blijkt uit onderzoek dat is gedaan naar aanleiding van de in 2018 vermoorde vrouwen Bianca, Sarah en Humeyra.

Uit het onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut blijkt dat de aanpak van huiselijk geweld in Rotterdam "hapert".

Dit komt volgens de onderzoekers door onduidelijkheid over taken en bevoegdheden van instellingen. De samenwerking tussen onder meer meldpunt Veilig Thuis, wijkteams, jeugdbescherming en de politie is volgens hen "problematisch".

Slachtoffers kunnen bijvoorbeeld niet meer zonder verwijzing van Veilig Thuis een wijkteam binnenstappen. Wijkteams hebben het vaak te druk om meteen in te grijpen en verwijzen slachtoffers in complexe situaties weer terug naar Veilig Thuis. Een gevolg hiervan is dat het te lang duurt totdat slachtoffers van huiselijk geweld de juiste hulp krijgen.

Expertise is verloren gegaan

Ook is volgens de onderzoekers veel ervaring en expertise over partnergeweld verloren gegaan in Rotterdam door de komst van zogeheten sociale wijkteams. Het idee was dat deze teams maatwerk zouden leveren, maar volgens de onderzoekers heeft het juist geresulteerd in meer afstand.

Het Verwey-Jonker Instituut raadt Rotterdam aan voor plekken te zorgen waar Rotterdammers laagdrempelig terechtkunnen voor een luisterend oor. Ook moet voortaan voorkomen worden dat meldingen van huiselijk geweld vaak worden doorverwezen. Invoering van een aantal "wijkteam overstijgende netwerken" moeten hierbij kunnen helpen.

Vorig jaar werd door een vernietigend rapport van de Inspectie Veiligheid en Justitie duidelijk hoe wanhopig de zestienjarige Humeyra vele malen om hulp heeft gevraagd, maar die hulp nooit heeft gekregen. De ene na de andere fout leidde uiteindelijk tot de dood van het Rotterdamse meisje.