De Hoge Raad heeft woensdag bepaald dat een rechter per geval moet beoordelen of er bij een minderjarige dader van een misdrijf DNA moet worden afgenomen.

De uitspraak is gedaan naar aanleiding van een zogenoemde vordering cassatie in het belang van de wet. Dit betekent dat er onduidelijkheid was over hoe de wet DNA bij minderjarige veroordeelden moest worden uitgevoerd.

Rechtbanken oordeelden wisselend of de minderjarigheid van een veroordeelde wel of niet een uitzondering vormde voor het afnemen van DNA.

In de wet staat dat van bepaalde groepen veroordeelden verplicht DNA moet worden afgenomen en opgeslagen. Het gaat om veroordeelden van misdrijven waarvoor vier jaar gevangenisstraf of meer staat en van wie nog geen DNA is afgenomen.

Uitzonderingen daarop zijn als een DNA-profiel niet van betekenis is voor de opsporing van het feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld of als de verwachting is dat de veroordeelde niet nog een keer een strafbaar feit zal begaan.

VN-Mensenrechtencomité tikte Nederland op de vingers

Het VN-Mensenrechtencomité tikte Nederland in juli 2017 op de vingers omdat in hun ogen de minderjarigheid van een verdachte ook moet worden meegenomen als uitzonderingsgrond.

De Hoge Raad heeft nu bepaald dat minderjarigheid van een veroordeelde inderdaad door een rechtbank als uitzonderingsgrond moet worden meegenomen. De rechter zal dus per geval moeten bepalen of er wel of geen DNA moet worden afgenomen.