De rechtbank in Den Haag heeft woensdag bepaald dat de Staat schadevergoedingen moet betalen aan de weduwen en kinderen van elf mannen die in 1946 en 1947 werden geëxecuteerd door Nederlandse militairen.

De rechter acht bewezen dat de elf mannen zijn gedood als gevolg van misdragingen van Nederlandse militairen.

Het gaat om mannen die werden gedood bij een massa-executie in Supa in januari 1947 en bij executies in de regio Bulukumba en het district Sidenreng Rappang in de periode van december 1946 tot en met april 1947. In de meeste gevallen betrof het standrechtelijke executies. Eén slachtoffer werd willekeurig doodgeschoten.

Een man die als kind de standrechtelijke executie van zijn vader zag, krijgt een zogeheten immateriële schadevergoeding (ook wel smartengeld genoemd) van 10.000 euro wegens schokschade.

De andere weduwen en kinderen hebben alleen recht op materiële schadevergoedingen voor gederfd levensonderhoud. Die bedragen lopen uiteen van 123,48 euro tot 3.534 euro en zijn gebaseerd op onder meer het feit dat de meeste doodgeschoten mannen boer waren en destijds een jaarinkomen van ongeveer 100 euro per jaar hadden.

Geen ruimte in recht voor smartengeld

De rechtbank stelt dat die bedragen niet in verhouding staan tot het leed van de nabestaanden en niet bedoeld zijn als smartengeld daarvoor. "Het op deze zaken toepasselijk recht biedt geen mogelijkheid om deze schade (zogenaamde affectieschade) te vergoeden", is te lezen in een verklaring van de rechtbank.

Los van de andere zaken is ook een immateriële schadevergoeding toegekend aan een man die tijdens ondervraging in Nederlands gevangenschap in 1947 werd geslagen met een stuk hout en een sigaret kreeg uitgedrukt op zijn hoofd. Hij krijgt daarvoor 5.000 euro.

De rechtbank in Den Haag heeft een tiental zaken rond het optreden van Nederlandse militairen in Indonesië tijdens de onafhankelijkheidsstrijd behandeld. Twee van die zaken lopen nog.