Het hoofdbestuur van het Rode Kruis in Nederland heeft tijdens en na de Tweede Wereldoorlog gefaald bij de hulp aan Joden. Ook Nederlandse politieke gevangenen in Duitse kampen kregen geen hulp van het Rode Kruis, terwijl andere landen zoals Noorwegen daar wel in slaagden. 

Het bestuur werkte ook mee aan anti-Joodse maatregelen, zoals het uitsluiten van Joden voor de Bloedtransfusiedienst. Het hoofdbestuur heeft niet gecollaboreerd met de bezetter, maar is wel heel ver meegebogen met de eisen van de 'nieuwe tijd'.

Dat schrijft Regina Grüter van het instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies NIOD in haar onderzoek Kwesties van Leven en Dood - de rol van het Nederlandse Rode Kruis in de Tweede Wereldoorlog. Het boek ligt woensdag in de winkels.

Het Rode Kruis gaf Grüter in 2013 opdracht voor het onderzoek. Directe aanleiding was een ontmoeting tussen journalist Frits Barend en oud-algemeen directeur Cees Breederveld in 2005.

Bij die gelegenheid weigerde Barend om Breederveld een hand te geven met de woorden: ''Het Rode Kruis? Dat zijn toch allemaal antisemieten.'' Breederveld wist van niets, maar later bleek dat de weinig dappere houding van het Rode Kruis in de oorlog wel bekend was, maar dat er nooit over werd gesproken.

Oorzaak

Volgens Grüter ligt de oorzaak van de falende hulp aan Joden en anderen in de decennia voor 1940. Het Rode Kruis, in 1864 opgericht door de Geneefse bankier Jean Henry Dunant, was sterk hiërarchisch ingericht en oorspronkelijk bestemd voor hulp aan slachtoffers in oorlogsgebieden. De vredestaak was ondergeschikt aan de oorlogstaak.

In de jaren dertig van de vorige eeuw zouden de deelnemende landen bepalingen over hulp aan burgers vastleggen, maar toen brak de oorlog uit. Er waren helemaal geen regels over hoe te handelen tijdens een langdurige bezetting.

Wet

''Het bestuur handelde naar 'de letter van de wet', en niet naar de geest. Menslievendheid is de basis van de Rode Kruisprincipes en daarin heeft het bestuur ontegenzeggelijk gefaald'', schrijft Grüter ''De nood van een grote groep onschuldige mensen is genegeerd. Dat is een smet op het Rode Kruis die niet gewist kan worden.''

Een Joodse overlevende van Auschwitz zegt in het boek: ''Noodpakketten van het Rode Kruis zouden waarschijnlijk niet veel hebben geholpen. Maar het idee dat iemand in Nederland aan je dacht, ja, dát had zeker verschil gemaakt.''

Grüter maakt nadrukkelijk verschil tussen de houding van het hoofdbestuur en die van de plaatselijke afdelingen in het land: ''Die waren bewonderenswaardig. Zij hadden lef, waren stoutmoedig en praktisch. Ze hebben regelmatig met gevaar voor eigen leven het verschil betekend tussen leven en dood van Nederlandse burgers.''