In een nieuw onderzoek naar de moord op Theo van Gogh zijn geen aanwijzingen gevonden die erop duiden dat de moordenaar van Van Gogh, Mohammed B., handlangers had. 

Dat schrijft minister Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken) donderdag aan de kamer na inzage van een rapport van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD).  

"De CTIVD concludeert dat er uit de beschikbare gesprekken geen concrete aanwijzingen naar voren komen dat bepaalde personen op de hoogte waren van, dan wel betrokken waren bij de (voorbereiding van de) moord op Van Gogh", schrijft Plasterk. 

Bij geheime dienst AIVD is tussen 2004 en 2011 informatie binnengekomen over mogelijke handlangers van Mohammed B. Die informatie werd in tien gevallen niet doorgegeven aan het Openbaar Ministerie, zo blijkt uit het rapport van de CTIVD. 

Voorbereiding

Uit het onderzoek blijkt dat de informatie gaat over vier mensen die (in meer of mindere mate) op de hoogte waren van, of betrokken zouden zijn geweest bij de (voorbereiding van de) moord op Van Gogh. Daarnaast zou in één geval een groepje niet nader genoemde personen op de hoogte zijn geweest van de moord.

Verder blijkt dat de informatie die de AIVD over mogelijke handlangers had, niet bestond uit concrete aanwijzingen, dus dat er geen hard bewijs is dat die er zijn geweest. Het ging over informatie die bronnen van anderen gehoord hadden.