De kantonrechter in Almelo heeft een automobilist die bezwaar maakte tegen de hoogte van een verkeersboete in het ongelijk gesteld.

De rechter oordeelde dat de hoogte van een opgelegde verkeersboete correct is en dat de minister van Veiligheid en Justitie bevoegd is om de hoogte van een boete te bepalen.

De uitspraak staat lijnrecht tegenover een eerder vonnis van de kantonrechter van Arnhem op 30 oktober. Die oordeelde dat de verkeersboetes door de minister met verkeerde motieven zijn verhoogd, namelijk het spekken van de staatskas. De Staat moest in deze zaak de bezwaarmaker een deel van de opgelegde boete terugbetalen.

In de zaak in Almelo draait het om een automobilist die 287 euro moest betalen voor een snelheidsovertreding in de bebouwde kom. De man stapte naar de rechter en verwees naar de uitspraak van 30 oktober in Arnhem.

Hogere opbrengst

De kantonrechter in Almelo komt echter tot een ander oordeel dan zijn collega. De minister heeft het recht om wijzigingen in te voeren, zoals in dit geval de verhoging van verkeersboetes voor een hogere opbrengst voor de schatkist.

Bovendien wijst de rechter erop dat elke wijziging van tarieven is voorgelegd aan zowel de Tweede als de Eerste Kamer en die hebben zich er niet tegen uitgesproken.

Volgens de kantonrechter in Arnhem zijn in 2008, 2011 en 2012 de boetebedragen met een hoger percentage verhoogd dan nodig was om de inflatiecorrectie door te voeren. De verhoging was slechts bedoeld om de overheidsinkomsten te vergroten. De rechter bepaalde daarom dat de verhoging in strijd is met de wet.