Veroordeelde zedendelinquenten vallen minder snel terug in hun oude gedrag als ze worden begeleid door getrainde vrijwilligers.

Uit cijfers van het project COSA blijkt dat van de 74 zedendaders die hun straf hebben uitgezeten en de afgelopen vijf jaar begeleid zijn door vrijwilligers, slechts één opnieuw de fout is ingegaan.

Recidive onder zedendelinquenten ligt in het algemeen op 15 tot 30 procent, aldus Reclassering Nederland, een van de betrokken partijen bij COSA, donderdag. Overigens worden twee deelnemers ervan verdacht dat ze weer een zedendelict gepleegd hebben, maar ze zijn daar (nog) niet voor veroordeeld.

Binnen het project COSA houden vrijwilligers een oogje in het zeil bij veroordeelde zedendelinquenten. Ze ondernemen regelmatig activiteiten met de dader, bijvoorbeeld een kop koffie drinken in een café of samen naar de sportschool gaan.

Isolement

Het uitgangspunt is dat daardoor het sociaal isolement wordt doorbroken, maar ook dat de vrijwilligers aan de bel trekken als ze signalen opvangen dat iemand weer de fout in dreigt te gaan. Daardoor moet voorkomen worden dat er nieuwe slachtoffers vallen.

Momenteel zijn ongeveer honderddertig vrijwilligers en honderdvijftig professionals betrokken bij COSA. De vrijwilligers worden getraind en begeleiden in groepjes van drie tot vijf samen één dader. Ze staan in nauw contact met betrokken professionals, zoals mensen van reclassering, behandelaren en wijkagenten.

Kindermisbruik

De meeste daders die begeleid worden, zijn veroordeeld voor zedenfeiten met een minderjarig slachtoffer. Bij bijna de helft gaat het om misbruik van een 12- tot 16-jarige, bij 7 procent waren de slachtoffers jonger dan twaalf jaar.

Bij een derde van de deelnemers gaat het om het bezit van kinderporno. De begeleiding duurt gemiddeld drie jaar. Daarna houden de zedendaders een mentor, als aanspreekpunt.

Alleen daders die op het goede pad willen blijven, open zijn over wat ze gedaan hebben en onder behandeling (geweest) zijn, komen in aanmerking om deel te nemen aan het project.