Het gaat slecht met de meeste weidevogelsoorten in Nederland. De populaties van de grutto, scholekster, veldleeuwerik en graspieper laten al vanaf de jaren negentig een geleidelijke maar duidelijke daling zien. 

Dat blijkt uit woensdag verschenen cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Het verdwijnen van weidevogels heeft te maken met onder meer de schaalvergroting en intensivering in de landbouw. Zo gaan er veel nesten en kuikens verloren doordat er steeds vroeger en vaker gemaaid wordt.

De weidevogelstand wordt ook negatief beïnvloed door de verschuiving in de landbouw van "gevarieerde, vochtige, kruidenrijke hooilanden" naar gedraineerde percelen met slechts één of twee soorten gras. Die zijn makkelijker machinaal te bewerken en leveren een hogere grasproductie op. Maar daardoor is er minder voedsel, dekking en rust voor weidevogels.

"De schaalvergroting vindt al plaats sinds halverwege de vorige eeuw, maar gaat nog steeds door", aldus het CBS. Volgens het statistiekbureau gaat er ook broedgebied voor weidevogels verloren door de uitbreiding van steden. In totaal verdween er sinds 1990 ruim 150.000 hectare grasland. Dat is een daling van ruim 14 procent.

De weidevogelstand staat ook onder druk door roofdieren. "Soorten als de buizerd, bunzing, vos en egels hebben - naast veel andere prooien en aas - ook weidevogels op het menu staan", aldus het CBS.

Bodemleven

Of bestrijdingsmiddelen een factor zijn bij de teruggang van de weidevogels, zoals het geval is voor bijen, is niet duidelijk. Volgens Albert de Jong van Sovon Vogelonderzoek is daar weinig onderzoek naar gedaan. "Over het algemeen is het zo dat de genoemde vogels opgroeien in grasland, waar geen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt." 

De Jong ziet overvloedige bemesting van dat grasland wel als een probleem voor weidevogels. Dat kan leiden tot een arm bodemleven, en dus minder voedsel voor vogels. "In de toplaag van de grond, waar die mest wordt ingespoten, leeft bijna niets meer."