Rechercheurs zijn vaak niet in staat om de informatie uit getuigenverklaringen op waarde te schatten. Vooral bruikbare informatie uit latere verhoren gaat op die manier verloren.

Dat meldt de Volkskrant op basis van een onderzoek van de Universiteit van Maastricht.

Tijdens het onderzoek hebben 84 proefpersonen een getuigenverklaring afgelegd op basis van een fictieve misdaadsituatie. Na de eerste verklaring, moesten de proefpersonen ook een tweede verklaring afleggen.

In de tweede verklaring bleek 86 procent van de informatie bruikbaar, terwijl uit die verklaringen slechts 29 procent van die informatie als bruikbaar geschat werd door de rechercheurs.

Volgens onderzoekster Alana Krix geeft dat aan dat rechercheurs vaak denken dat de informatie uit het tweede verhoor minder waardevol is, terwijl kennis van het geheugen ons leert dat belangrijke informatie pas later terug komt. Op die manier kwalificeren rechercheurs de informatie verkeerd.

Alternatief

Volgens de onderzoekster kunnen de getuigenverklaringen de richting van een onderzoek beïnvloeden. Het zou daarom beter zijn als de rechercheurs getuigen zouden ondervragen aan de hand van zelfrapportage, waarmee getuigen gestimuleerd worden om zich een misdrijf te herinneren. Op die manier worden ze niet gestuurd door de vragen van een rechercheur.

De Nationale Politie erkent het belang van kennis over getuigenverklaringen en gaat het alternatief invoeren. De organisatie gaat het "zelfrapportage voor getuigen gereedmaken voor gebruik in de praktijk", zo laat ze weten in een reactie. Momenteel wordt het al door verschillende eenheden getest.