Het Roosendaalse uitzendbureau All-in discrimineert wel degelijk door een vrouw af te wijzen omdat zij een hoofddoek wil dragen. Dat oordeelt het College voor de Rechten van de Mens woensdag. 

Het Openbaar Ministerie in Breda oordeelde eerder dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om vervolging in te stellen.

De zaak draait rond een destijds 18-jarige moslima die bij het uitzendbureau stage wilde lopen als intercedente. Na het sollicitatiegesprek belde ze met de vestigingsmanager. Die vertelde haar dat het uitzendbureau een "Nederlands bedrijf" is en dat van werknemers mag worden geëist dat zij geen hoofddoek dragen.

Later stelde het uitzendbureau dat het de vrouw wilde beschermen tegen discriminatie door Poolse uitzendkrachten.

Het college wijst erop dat bedrijven alleen in heel uitzonderlijke gevallen een hoofddoek mogen verbieden, bijvoorbeeld vanwege de veiligheid. In dit geval had de hoofddoek dus niet mogen worden verboden.

Justitie beluisterde het gesprek eerder ook en gaf aan geen aanknopingspunten te kunnen vinden voor vervolging. "Er zijn twee gesprekken geweest tussen de klaagster en de manager. De herinnering aan en de beleving van deze gesprekken is bij beiden anders", zei een woordvoerder destijds. 

Artikel 12

Het oordeel van het college is voor het OM vooralsnog geen aanleiding om de zaak opnieuw te bekijken. "Wij hebben de zaak al geseponeerd. Als de vrouw het daar niet mee eens is, kan zij een artikel 12-procedure beginnen bij het gerechtshof in Den Bosch."

In dat geval bekijkt het hof of de zaak terecht is geseponeerd en kan justitie worden gedwongen alsnog vervolging in te stellen.

De eigenaar van het uitzendbureau, Omer Dasguney, zei eerder dat de klachten van de studente een "vooropgezet plan" zijn. Hij wees erop dat hij zelf ook moslim is. De vrouw heeft zelf destijds in dagblad Spits aangegeven dat ze eigenlijk niet van plan was een hoofddoek te dragen, maar dat ze zich toch gediscrimineerd voelde.