Bij branden waarvan de oorzaak onbekend is, zou standaard moeten worden onderzocht of sprake is van brandstichting. 

Die aanbeveling staat in een dinsdag verschenen rapport in opdracht van het instituut Politie en Wetenschap.

Onderzoeken naar brandstichting verdienen meer aandacht en capaciteit bij de politie en brandweer, stellen de onderzoekers van de Universiteit Utrecht in het rapport. Nu wordt daar te weinig op doorgerechercheerd.

Bewijslast voor opzettelijke brandstichting is vaak moeilijk te leveren omdat de bewijzen vaak in vlammen zijn opgegaan. Toch valt brandstichting nogal eens te herkennen aan de omstandigheden. Daar kan in de opleiding meer aandacht aan worden besteed.

De onderzoekers erkennen dat een standaardonderzoek wellicht niet altijd haalbaar is, maar nu is dat te vaak afhankelijk van de prioriteiten binnen een korps en soms zelfs van de affiniteit van de individuele agent.

Wraak

Wraak en woede zijn belangrijke motieven zijn om brand te stichten, komt verder uit het rapport naar voren. Daders hebben niet zelden psychische problemen en beperkte sociale vaardigheden. De meesten hebben wel eens contact gehad met de hulpverlening.

Uit het onderzoek komen vijf typen brandstichters naar voren: vandalen, gestoorden, mensen met relatieproblemen, gelegenheidsbrandstichters en brandstichters die verlangen naar vuur of brand. ''Het zijn vijf uiteenlopende categorieën die elk een eigen aanpak in de opsporing, het strafproces, de hulpverlening, de nazorg en de preventie vergen.''

Een andere aanbeveling is dat de onderlinge samenwerking tussen politie en brandweer bij het onderzoek beter op elkaar afgestemd worden zodat ze meer van elkaars kennis kunnen profiteren.