Het Openbaar Ministerie (OM) weigert in te stemmen met een schadevergoeding aan de voormalige verdachte van de Schipholbrand van 2005.

Dat blijkt uit een document van het OM dat het VPRO-programma Argos heeft ingezien. 

Ahmed Al-J., die jarenlang is vervolgd voor de Schipholbrand, eiste een schadevergoeding van 663.700 euro van de staat. Het hof buigt zich 14 januari over het verzoek.

Volgens het OM "ontbreken gronden van billijkheid" voor een schadevergoeding, omdat Al-J. ondanks de vrijspraak nog altijd wel verantwoordelijk zou zijn voor het ontstaan van de brand door "onvoorzichtig" een peuk weg te gooien.

Vrijgesproken

De Libiër werd in maart definitief vrijgesproken van opzettelijke brandstichting in het cellencomplex op Schiphol. De verwoestende brand op 27 oktober 2005 kostte elf mensen het leven. Al-J. schoot een shagje weg richting het voeteneind van het bed waar hij op lag.

Het OM meende dat er op z’n minst sprake was van schuld van Al-J. en waarschijnlijk ook van opzet. Maar het gerechtshof in Den Haag sprak hem vrij, want van opzet was geen sprake.

De Libiër was eerder door het hof in Amsterdam nog wel veroordeeld tot anderhalf jaar cel voor brandstichting, maar de Hoge Raad oordeelde dat de zaak over moest.

'Gerechtvaardigd'

De advocaten van de Libiër vonden eind december dat "de uitzonderlijke omstandigheden" een forse schadevergoeding rechtvaardigden. Zo zat Al-J. in totaal 514 dagen in voorlopige hechtenis. Deze voorlopige hechtenis werd 892 dagen geschorst, maar daaraan zaten wel "verschillende vrijheidsbeperkende voorwaarden".

Al-J. liep door de brand zwaar letsel op en lag een tijd in coma. Hij zou tegen het advies van medische deskundigen in vlak na het ontwaken uit coma langdurig en meerdere keren zijn gehoord. Ook zat hij volgens zijn advocaten in een zogeheten individueel regime, dat inhoudt dat hij geen contact met andere gevangenen had en was onderworpen aan 24-uurs cameratoezicht.

Feitenoverzicht van de Schipholbrand en de rechtszaken