UTRECHT - Een Nederlandse militair die in 1995 aanwezig was bij de val van de Srebrenica-enclave, eist van de Staat een schadevergoeding omdat hij daar een trauma heeft opgelopen. 

Volgens de oud-Dutchbatter heeft het toenmalige ministerie van Defensie onvoldoende maatregelen genomen om een blijvende posttraumatische stressstoornis (PTSS) te voorkomen.

De minister vond dat hij niet verantwoordelijk was en wees daarom een in 2000 ingediende eis tot schadevergoeding af.

Uitspraak

De hoogste rechter op het gebied van het militaire ambtenarenrecht, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), doet op 25 maart uitspraak in de kwestie, zo maakte de raad maandag bekend.

De rechtbank in Den Haag oordeelde in november 2005 dat de Staat ''ten onrechte heeft geweigerd aansprakelijkheid te erkennen''. Volgens een woordvoerder van de CRvB ging zowel de Staat als de militair tegen dat besluit in beroep.

Trauma

De militair werd van 20 januari tot 24 juli 1995 als pionier-verkenner van Dutchbat 3 uitgezonden naar Srebrenica in het voormalige Joegoslavië. Bij de val van de enclave zou hij een trauma hebben opgelopen, onder meer doordat een mortier vlak bij hem insloeg.

In een geneeskundig rapport staat dat de man van 6 juli tot en met 11 juli ''heeft moeten functioneren in extreem moeilijke omstandigheden'' en dat hij te maken heeft gehad met spanningen, vermoeidheid en angstige situaties waardoor hij een chronische PTSS opliep. De mortierinslag was volgens de minister een dienstongeval.

Onvoldoende middelen

De Dutchbatter vond dat hij onvoldoende op de hoogte was gebracht van de risico's en ook zou hij met onvoldoende middelen uitgezonden zijn. Hij verwees naar rapporten over de val van Srebrenica.

Daaruit zou blijken dat het materieel grote gebreken vertoonde, er geen exit-strategie was en dat de militairen verstoken raakten van voedsel en benzine. De terugtrekking uit de enclave verliep chaotisch en onder beangstigende omstandigheden.

De rechtbank in Den Haag stelde in de uitspraak dat de minister niet voldeed aan zijn zorgplicht en dat hij daarom verantwoordelijk is voor alle door de militair geleden schade. De CRvB oordeelt eind maart of ook zij de minister van Defensie daarvoor verantwoordelijk vindt.