AMSTERDAM - Op diverse plaatsen in Zeeland, Noord-Brabant en Zuid-Holland wordt vrijdag de Watersnoodramp van 1953 herdacht. 

Het is precies zestig jaar geleden dat een groot deel van het zuidwesten van Nederland werd verzwolgen door het water. Bij de ramp kwamen 1836 mensen om het leven.

In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 zorgde een combinatie van springvloed en een zware storm voor de ramp. Het water stortte zich over de dijken en verwoestte boerderijen, huizen, wegen en dijken. In totaal kwam een gebied zo groot als de provincie Zeeland onder water te staan.

In het Zeeuwse Ouwerkerk wordt bij het Watersnoodmuseum een centrale herdenking georganiseerd. Daarbij is onder meer de Zeeuwse commissaris van de koningin Karla Peijs aanwezig. In de gemeente Schouwen-Duiveland, waar Ouwerkerk onder valt, kwamen 532 mensen om bij de ramp. Na een kranslegging wordt een minuut stilte gehouden.

Nieuwe ramp

Zaterdag waarschuwde minister van Infrastructuur Melanie Schultz van Haegen (VVD) nog dat Nederland niet voldoende is voorbereid op een nieuwe overstromingsramp. In een interview met de Volkskrant zei ze dat water een 'zwaar onderschat politiek onderwerp' is.

Schultz werkt aan een evacuatieprogramma waarin bewoners van een gebied direct kunnen zien wat ze moeten doen als ze worden bedreigd door water en waar ze heen moeten. Ook wordt gekeken naar innovatieve manieren van bouwen en omgaan met water.

Overstromingen

De laatste grote overstromingen in Nederland waren in 1995. Uit vrees voor een dijkdoorbraak moesten toen honderdduizenden mensen in de Betuwe, de Bommelerwaard en het Land van Maas en Waal het gebied verlaten.