AMSTERDAM - Jongeren die denken dat carnaval een vrijbrief is om vrouwen te betasten, uitgelokte opstootjes, Rotterdammers die anti-Ajaxliederen aanheffen. Het lijkt erop dat bezoekers van boven de rivieren niet beseffen wat carnaval werkelijk inhoudt, zo is het beeld onder zuidelingen.

Ad van Iterson herinnert zich zijn jonge carnavalsjaren nog goed. Na lang dubben tussen een indianenpak en een cowboyoutfit, werd hij in de kroeg op een stoel gezet en keek zijn ogen uit. Urenlang. Wat hij zag, overweldigde hem.

"Op die leeftijd is je harde schijf nog leeg”, zegt de auteur van Drie dagen en Drie nachten, een boek over het Maastrichtse carnaval. “Het feest is er dus goed bij me ingeprent. Zelfs kinderen van één en twee jaar worden tijdens carnaval in de kinderwagen mee de stad ingereden.

Dan heb je een behoorlijke voorsprong op mensen die op hun twintigste besluiten in de trein te springen om ook te gaan carnavallen.”

Deze laatste groep roept in het zuiden nog wel eens irritatie op. Toch moeten we de overlast niet overdrijven, zegt Lucien Verhoef, beter bekend als Prins Lucius d’un aller Irste van het Kielegat (Breda).

"Door excessen bestaat het beeld dat Hollanders geen carnaval kunnen vieren, maar zo ervaar ik dat niet. In negentien van de twintig cafés is het één groot feest. Hooguit krijg je soms wat wilde toestanden als groepen bij binnenkomst meteen de menigte induiken."

Verbroedering

Toch ontstond er twee jaar geleden in Breda commotie toen er stickers opdoken met de tekst ‘Rotterdammer vrije zone’. Iets ludieks, vindt Prins Lucius.

“Tijdens carnaval worden veel mensen op de hak genomen. Dat zie je vooral terug in de optochten. Van de actie van destijds moet je ook het carnavaleske inzien. Het maakt ook juist niet uit waar je vandaan komt, want carnaval is een feest van verbroedering. De bakker loopt naast de bisschop, de lopende bandmedewerker biedt de directeur een pilsje aan. Ieder is gelijk.”

Après-ski

"Toch zie ik iemand van boven de rivieren meestal van verre aankomen”, zegt Renée van den Hurk. De 20-jarige Eindhovense is één van de zeven jongeren die in café Thomas het Lampjesbal organiseren. Het doel: het authentieke carnavalsgevoel bij de jongeren terugbrengen.

"De après-skitaferelen op straat storen ons. In Brabant bezondigen we ons daar inmiddels ook aan. Tijdens carnaval is het juist leuk om mee te deinen met kapellen. Bij ons is dat met de paplepel ingegoten, bij velen is dat helaas anders. We willen de bourgondische gezelligheid terug."

Creatieve noorderlingen

Socioloog Theo Fransen, die ooit een doctoraalscriptie aan carnaval wijdde, vindt juist dat Nederlanders buiten Brabant en Limburg steeds beter carnaval vieren. Alleen doen ze dat tegenwoordig ook vaak in hun eigen streek.

“Er bestaan tal van verenigingen boven de rivieren die het formidabel voor elkaar hebben. Ik heb een geweldige viering meegemaakt in de Veemarkthal in Sneek, met één grote feestmassa. Enkhuizen, Hoorn, Zwolle, Oldenzaal, Oldeklooster: ik kan veel plaatsen opnoemen met een jonge, maar creatieve traditie.”

Beschamende liedjes

"Iemand die trots is op wat hij heeft, neigt ernaar exclusiviteit te claimen", vervolgt Fransen. “In dit geval zou dat betekenen dat mensen boven de rivieren geen carnaval kunnen vieren.

Dat is niet zo. Al wordt dat beeld wordt soms wel bevestigd door de carnavalsliedjes die daar vandaan komen. In het zuiden is carnaval cultuur met een hoofdletter C. In dat licht is een lied als Worstjes op mijn borstjes nogal beschamend."