DEN HAAG - Om trekvissen als zalm, zeeforel en aal vanuit zee stroomopwaarts de rivieren op te kunnen laten zwemmen moeten de schuiven in het Haringvliet toch echt op een kier worden gezet. Dat blijkt uit juridisch onderzoek dat de fractie van D66 heeft laten verrichten door een advocatenkantoor.

Nederland is jaren geleden internationale verplichtingen aangegaan met als kern dat de Haringvlietsluizen op een kier moeten staan.

Hierdoor wordt vismigratie bevorderd en daardoor kunnen vissen de Rijn omhoog zwemmen. Op basis van dat besluit investeerden landen stroomopwaarts al tientallen miljoenen euro's in zogenoemde vistrappen en natuurlijke oevers.

Nederland heeft echter nog steeds 'de voordeur' niet op een kier gezet, omdat de gevolgen daarvan, zoals het ontstaan van brak water, geld kosten.

Regeerakkoord

In het regeerakkoord is afgesproken het zogenoemde Kierbesluit in te trekken. Staatssecretaris Joop Atsma (Milieu) onderzoekt mogelijkheden tot alternatieve vismigratie, bijvoorbeeld via de Nieuwe Waterweg en het Hartelkanaal (Rotterdams havengebied).

De CDA-bewindsman kan dat wel onderzoeken, maar uit het juridisch onderzoek in opdracht van D66 blijkt dat Nederland juridisch gebonden is aan diverse (internationale) afspraken, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn en ook aan het Rijnverdrag met onder meer Duitsland, België, Frankrijk en Zwitserland. Deze afspraken laten volgens de juridische analyse geen ruimte om het Kierbesluit in te trekken.

Boze brieven

Initiatiefnemer van het onderzoek, Kamerlid Stientje van Veldhoven: ''Eerder ontvingen we al boze brieven vanuit buurlanden en Brussel, maar nu is ook juridisch aangetoond dat het kabinet weinig keuze heeft. Tenzij premier Mark Rutte en minister Maxime Verhagen veel meer geld uittrekken voor dure alternatieven. Niets doen betekent bewust het risico lopen op rechtszaken en dwangsommen van 300.000 euro per dag. Is het Kierbesluit dit kabinet echt zoveel waard?''

Op 9 juni vergadert de Tweede Kamer over de kwestie. Voor die tijd zal Atsma een brief sturen over de vraag of alternatieve vismigratie toereikend is.