AMSTERDAM - Geert Wilders heeft zich niet schuldig gemaakt aan het aanzetten tot haat en moet van die beschuldiging worden vrijgesproken.

Dat heeft het Openbaar Ministerie woensdag betoogd voor de rechtbank in Amsterdam, waar de PVV-leider momenteel terechtstaat.

De officieren van justitie Birgit van Roessel en Paul Velleman toetsten in een urenlang betoog de uitspraken van Wilders die in de aanklacht zijn opgenomen. Geen van die uitlatingen voldoet aan het belangrijkste criterium: zij moet over mensen gaan om strafbaar te zijn.

De omstreden uitspraken gaan echter telkens over de islam.

Haat tegen gelovigen

Het aanzetten tot haat tegen een godsdienst is niet het aanzetten tot haat tegen gelovigen, zo redeneerden de aanklagers.

Een van de uitlatingen is de in 2008 door Wilders uitgebrachte anti-islamfilm Fitna, die in zijn geheel in de tenlastelegging van het OM is opgenomen. Ook Fitna is volgens de officieren niet uit te leggen als een oproep om moslims te haten, maar is een aanklacht tegen de islam.

Wilders voor de rechtbank