AMSTERDAM - Het Openbaar Ministerie (OM) gebruikt geuridentificatieproeven niet meer als bewijs in rechtszaken.

De proeven, waarbij politiehonden op basis van geur een verdachte aanwijzen, worden namelijk sinds enkele jaren niet meer uitgevoerd.

Dat heeft een woordvoerder van het OM vrijdag gezegd naar aanleiding van een bericht in de Volkskrant.

Volgens de zegsman kleven er te veel onzekerheden aan deze proef, zoals de interactie tussen hond en begeleider en de training van de hond. ''Daarom vindt het OM het geen degelijke basis om in rechtszaken te gebruiken.''

Kritisch

Oud-hoogleraar Jan Frijters is lange tijd kritisch geweest op de geuridentificatieproef. Hij vreest dat hondenbegeleiders daar soms mee sjoemelen.

Wat hem betreft moeten alle zaken waarin geurproeven als bewijs zijn gebruikt opnieuw tegen het licht worden gehouden, liet de oud-hoogleraar vrijdag weten op Radio 1.

Twijfel

Volgens het OM zijn zaken tegen het licht gehouden waarbij er twijfel was over de deugdelijkheid van de uitvoering van de proef.

Circa tweeduizend mensen die zijn veroordeeld (mede) op basis van de geurproef hebben een brief ontvangen waarin stond dat zij hun zaak konden voorleggen aan de Hoge Raad.

Ongeveer negentig mensen hebben dat gedaan. In een enkel geval leidde dat tot herziening van het vonnis. ''Het gaat dan om kleine zaken die door de politierechter zijn afgehandeld, niet om moord- en doodslag'', aldus de woordvoerder.

Politiehonden

Bij een geurproef wijzen politiehonden verdachten van een misdrijf aan.

De geurproef was onder meer een omstreden bewijsstuk in de Deventer moordzaak. Ernst Louwes werd veroordeeld voor de moord op weduwe Jacqueline Wittenberg-Willemen, maar de Hoge Raad besliste in 2003 dat het onderzoek opnieuw moest onder meer vanwege de geurproef.