DEN HAAG - PVV-leider Geert Wilders beschuldigt raadsheer Tom Schalken van het gerechtshof in Amsterdam, dat het Openbaar Ministerie dwong Wilders te vervolgen, van ''maffiapraktijken''.

Volgens arabist Hans Jansen, getuige-deskundige in het Wildersproces, zou Schalken hem hebben proberen te overtuigen van de juistheid van het besluit om Wilders te vervolgen.

Over het beweerde optreden van Schalken twittert Wilders vrijdag: ''Dagblad de Pers: Raadsheer Schalken van Hof Amsterdam probeert getuige-deskundige Hans Jansen tijdens diner te beïnvloeden. Maffiapraktijken.''

Dagblad De Pers schrijft vrijdag over een diner van een eetclubje waar Schalken toe behoort. Op de bewuste avond, 3 mei, was ook Hans Jansen aanwezig. Drie dagen later werd Jansen gehoord als getuige-deskundige.

Bonhomie

Jansen schrijft op het weblog hoeiboei over de rol van Schalken tijdens het etentje.

''Steeds weer stuurde hij het gesprek naar het Wilders-proces. Een werkeloze acteur had die pogingen tot vriendelijkheid en bonhomie beter gespeeld. Hij probeerde me te overtuigen van de juistheid van zijn beslissing Wilders voor de rechtbank in Amsterdam te slepen.''

Schalken zou volgens Jansen ook gezegd hebben dat de zaak tegen Wilders ''wetenschappelijk gezien een ‘machtig interessante casus’ was, waar ‘deksels goed’ over moest worden doorgedacht, en die ‘allerlei perspectieven’ bood.''

Tom Schalken is behalve raadsheer bij het gerechtshof ook emeritus-hoogleraar strafrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Uitgenodigd

Jansen zei vrijdag dat hij voor het etentje was uitgenodigd door Midden-Oostendeskundige en oude vriend Bertus Hendriks. Een van de andere gasten bleek Schalken te zijn. Jansen wilde toen afzien van het etentje.

''Want ik voelde me niet vrij om over de islam te praten'', aldus Jansen. Gedurende de avond kwam het proces-Wilders steeds terug als gespreksonderwerp, iets dat Jansen 'vervelend' vond.

Reden dat het etentje nu bekend is geworden, is omdat Jansen tekst hierover naar de website Hoeiboei.nl heeft gestuurd. Het gaat om een fragment uit een essay dat Jansen als gastauteur schrijft voor het in november te verschijnen boek De onzichtbare ayatollah, van Carel Brendel.