BILTHOVEN - Het is aannemelijk dat reeën, wilde zwijnen, edelherten en damherten in Nederland zijn geïnfecteerd met de bacterie die Q-koorts veroorzaakt.

Jagers moeten dan ook voorzorgsmaatregelen nemen als ze ingewanden uit geschoten dieren halen. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bereidt een onderzoek voor naar de verspreiding van de ziekte onder het grofwild.

Dat meldt het RIVM op de internetpagina van de Vereniging Het Edelhert. In Nederland is nog geen onderzoek gedaan bij wild.

Studies

Wetenschappelijke studies in Zuid- en Oost-Europa hebben echter aangetoond dat tot 30 procent van het grofwild besmet was met de Coxiella burnetii, de bacterie die Q-koorts veroorzaakt.

Het is daarom goed mogelijk dat een deel van het Nederlandse grofwild ook met de momenteel circulerende Q-koortsbacterie is geïnfecteerd. Het RIVM zal jagers om hulp vragen bij het aanstaande onderzoek.

Moederkoek

Vooral het vruchtwater en de moederkoek van besmette dieren kunnen grote hoeveelheden bacterieën bevatten. Het RIVM waarschuwt jagers en faunabeheerders dan ook vooral voor het slachten van drachtige dieren.

Ze moeten daarbij een mondkapje, handschoenen en beschermende kleding dragen. Na de klus moet alles worden ontsmet.

Voorzichtigheid

De ingewanden die uit hindes en zeugen zijn verwijderd, kunnen het beste worden begraven. Ook is voorzichtigheid geboden bij het aantreffen van doodgeboren jongen, aldus het RIVM.

Consumptie van het vlees van grofwild levert geen risico op, zeker niet als het goed wordt verhit.

Het gebied waar tot nu toe de meeste Q-koortspatiënten zijn aangetroffen, strekt zich uit tot halverweg de Veluwe. Daar komt het meeste grofwild van Nederland voor.

Ook het Rijk van Nijmegen en het Meinweggebied in Limburg, waar veel wilde zwijnen leven, behoren tot het vaccinatiegebied tegen Q-koorts.