DEN HAAG - Geen enkele arts heeft vorig jaar een geval van actieve levensbeëindiging bij pasgeboren baby's gemeld.

Ook in 2007 kwamen - tegen alle verwachtingen in - bij een speciale commissie geen meldingen binnen.

Het valt daarom aan te nemen dat artsen dit soort situaties niet rapporteren, zei dinsdag hoogleraar Joep Hubben naar aanleiding van een artikel in de Volkskrant.

Voorzitter

Hubben is voorzitter van de commissie die beoordeelt of artsen terecht het leven hebben beëindigd van zeer zieke pasgeboren baby's.

De commissie die in 2007 is ingesteld door het ministerie van Volksgezondheid had verwacht per jaar twintig meldingen van levensbeëindiging bij pasgeborenen te ontvangen.

Hubben denkt dat artsen mogelijk bang zijn voor strafrechtelijke vervolging. Ook vermoedt hij dat zij onvoldoende op de hoogte zijn van de toetsingscriteria. De commissie wil daarom informatiebijeenkomsten gaan houden.

Open ruggetje

Bovendien zijn artsen het niet over eens welke medische handelingen moeten worden gezien als actieve levensbeëindiging, stelt de commissie. Verder denken artsen verschillend over de behandelperspectieven bij bijvoorbeeld een open ruggetje.

Een andere mogelijke verklaring voor het uitblijven van meldingen is de 20 weken-echo die sinds 2006 bestaat. Afwijkingen worden volgens de commissie daarmee vaker en eerder opgespoord en de zwangerschap kan voor de duur van 24 weken worden afgebroken. Dit soort abortussen hoeft niet te worden gemeld.

Bosk, de vereniging van motorisch gehandicapten en hun ouders, vindt het onbegrijpelijk en verontrustend dat artsen actieve levensbeëindiging niet rapporteren. De vereniging dringt aan op een toetsing vooraf.

Protocol

''Op het moment dat actieve levensbeëindiging wordt overwogen, moet een protocol in werking treden dat voorziet in een second opinion van de medische noodzaak. De deskundigencommissie moet direct worden geïnformeerd'', stelt een woordvoerder. Zo'n protocol komt volgens hem tegemoet aan de mogelijke angst voor vervolging.

In 2008 ontving de commissie wel drie meldingen van een late zwangerschapsafbreking. In een geval had het kind geen kans op leven. Bij de twee andere gevallen handelden de artsen zorgvuldig. De commissie had gedacht jaarlijks twintig meldingen van late zwangerschapsafbrekingen binnen te krijgen.