De Wereldbank verlaagde dinsdag zijn verwachting voor de gemiddelde prijs van een vat ruwe olie dit jaar naar 52 dollar. In juli ging de geldschieter nog uit van 57 dollar. 

De bijstelling is het gevolg van een afkoelende wereldeconomie, de grote mondiale olievoorraden en de verwachting van een flink aanbod vanuit Iran zodra de sancties tegen dat land zijn opgeheven. De Wereldbank pakt daarbij een gemiddelde van de prijs van Brent-olie, Amerikaanse olie en Dubai-olie.

De index van energieprijzen van de Wereldbank daalde in het derde kwartaal met 17 procent ten opzichte van het tweede kwartaal.

Over heel 2015 zullen de energieprijzen naar verwachting gemiddeld 43 procent lager uitvallen dan vorig jaar. Exclusief energie waren grondstoffen 5 procent goedkoper dan in het tweede kwartaal. Hier wordt een afname van 14 procent voorzien over het hele jaar.

Iran kan binnen enkele maanden zijn productie met 500.000 à 700.000 vaten per dag opkrikken, waarmee het niveau van 3,6 miljoen vaten per dag van voor de sancties binnen bereik komt.

Pijn

De afgelopen maanden voelden olieconcerns en toeleveranciers aan de olie- en gasindustrie de pijn van de scherpe daling van de olieprijs. Shell was een van de eersten in de sector die het mes in zijn investeringsbudget zette.

Bovendien zag het concern af van zijn boorplannen rond Alaska, onder meer omdat de kosten voor het zoeken naar en winnen van olie bij het huidige prijspeil onrendabel zijn.

De Wereldbank rekent ook op een verdere daling van diverse metaalprijzen. In het derde kwartaal werden metalen, waaronder zink en koper, 12 procent goedkoper, vooral door een afnemende vraag vanuit China.

Over heel 2015 valt het prijspeil naar verwachting 16 procent lager uit dan in 2014. Ook edelmetalen daalden in prijs, vooral omdat er minder belangstelling was van beleggers in bijvoorbeeld goud.