De prijzen voor nieuwe auto's blijven maar stijgen: het is een veel gehoorde klacht en harde cijfers onderschrijven het. Maar hoe extreem zijn die stijgingen werkelijk? AutoWeek ging op onderzoek uit.

Kijk je naar prijslijsten van lang geleden, dan wordt al gauw duidelijk dat de prijzen van auto's de afgelopen decennia inderdaad door het plafond zijn gegaan. Toch verdient die eerste indruk enige nuancering.

Allereerst zijn heel veel dingen in die periode flink in prijs gestegen, wat in de economie inflatie wordt genoemd. Maar daar staat tegenover dat ook de inkomens omhoog zijn gegaan. Deze factoren samen bepalen de koopkracht. Wanneer de inkomens sneller stijgen dan de prijzen, gaat de koopkracht omhoog. Het is dus zaak om de prijsontwikkeling van nieuwe auto's door de jaren heen af te zetten tegen de inkomens over diezelfde periode.

Ook dat zegt weer niet alles. Je kunt namelijk wel meer zijn gaan verdienen, wanneer je veel meer kwijt bent aan andere, belangrijkere levensbehoeften (denk aan de stijgende woonlasten als gevolg van de overspannen woningmarkt), dan blijft er weer minder bestedingsruimte over voor de auto. Maar goed, het is niet aan de automobielindustrie om de extreme prijsstijgingen op de woningmarkt te compenseren. Verder is bijvoorbeeld ook het fiscale klimaat van invloed op hoeveel mensen kunnen besteden.

Ook de uitrusting is in al die jaren flink toegenomen

Interessanter in deze context is een andere factor om rekening mee te houden en dat is het uitrustingsniveau van auto's door de jaren heen. Zaken als airco, elektrische ramen, ABS, airbags en stuurbekrachtiging zijn vandaag de dag zelfs op de goedkoopste modellen doodgewoon, maar nog niet zo gek lang geleden vond je ze alleen in auto's uit de topklasse. In 'gewone' auto's waren ze vaak alleen als optie leverbaar of helemaal niet.

En dan de harde, ongefilterde cijfers. Volgens de jaarlijkse statistieken van brancheverenigingen BOVAG en RAI kostte de gemiddelde nieuw verkochte auto afgelopen jaar 37.053 euro. Tien jaar eerder was dat nog 24.096 euro. In 2000 telden we gemiddeld 19.367 euro neer voor onze nieuwe auto en in 1990 was dat maar 14.240 euro. Onbewerkt tonen die cijfers al forse prijsstijgingen, maar dan is nog geen rekening gehouden met het feit dat het gemiddelden zijn.

“Airco vond je vroeger alleen in auto's uit de topklasse”
Autoweek

Door de jaren heen zijn er verschuivingen geweest, waarbij de nadruk steeds meer op lagere segmenten kwam te liggen. De consument koos voor steeds kleinere en goedkopere auto's en het aanbod van de fabrikanten veranderde daarin mee. Kortom: de gemiddelde auto was vroeger niet alleen veel goedkoper, maar bevond zich ook in een hoger segment in de markt.

Daar staat dan weer tegenover dat de segmenten in letterlijke zin zijn gegroeid. Zet een Golf van toen naast een Polo van nu en je zult zien dat je er niet ver naast zit wanneer je concludeert dat het B-segment van nu het C-segment van toen is.

Eén voor de prijs van twee?

AutoWeek neemt de Opel Corsa als voorbeeld en gaat bij de analyse steeds uit van de vijfdeurs in zijn meest bescheiden uitvoering. Vandaag is dat de 1.2 die 16.900 euro kost, in 2010 betaalde je 14.295 euro voor een 1.2 Selection, in 2000 11.115 euro voor een 1.0i 12V Eco en in 1990 reed je voor 9.395 euro in een heuse Opel Corsa 1.4i Swing. Een prijsverschil dus van 7.505 euro, destijds genoeg voor een tweede autootje erbij.

Eén voor de prijs van twee dus? Welnu, voor die ruim zeven mille krijg je (even afgezien van de eerder genoemde inflatiecorrectie) centrale deurvergrendeling, keyless entry en start, stuurbekrachtiging, cruisecontrol, rijbaanhulp, helling-starthulp, automatisch remmen, vermoeidheidssensor, verkeersbordenherkenning, stuurbediening audio, boordcomputer, Bluetooth, elektrisch verstelbare en verwarmde buitenspiegels, lichtsensor, 12 jaar garantie, ABS, tractie-controle en airbags.

Bovendien is de kwaliteit van materialen en afwerking vele malen beter. Wanneer je dat alles bij elkaar telt en alle opties (voor zover die destijds überhaupt bestonden) in die Corsa uit 1990 erbij zou nemen, dan is het prijsgat lang niet meer zo gapend.

Wie zit er op die - nu zo normale luxe - te wachten?

Mooi, maar wellicht zit iemand op die nu zo normale luxe helemaal niet te wachten; je betaalt er tegen wil en dank toch voor. Stel dat je zo goedkoop mogelijk een nieuwe auto wil rijden, wat kost dat nu en wat kostte dat vroeger? Een van de goedkoopste volwaardige personenauto's van dit moment is de Peugeot 108: vanaf 12.645 euro. In 2010 nog kreeg je voor iets meer dan de helft van dat bedrag de sleutels van een gloednieuwe auto in je handen, want de Chevrolet Matiz 0.8 Pure kostte toen 7.111 euro.

Nog eens tien jaar eerder kon je al voor 5.738 euro eerste eigenaar van een auto worden, want dat kostte de Fiat Panda 900 Young in het eerste jaar van het nieuwe millennium. En wie kort na de val van de Sovjet Unie geen wrok meer koesterde jegens de voormalige vijand, kon in 1990 al voor 4.762 euro de trotse eigenaar worden van een Lada 2105 1.2. Dat was in tegenstelling tot de latere instappertjes ook nog eens een behoorlijk ruime vierdeurssedan. Sindsdien is het nooit meer zo goedkoop geweest om in een nieuwe auto te kunnen rijden.

De prijzen en uitrusting van alle nieuwe auto's vind je hier in de database van AutoWeek.