Het idee is al meer dan honderd jaar oud: koplampen die in de bochten meedraaien en daardoor beter zicht geven op de weg. Maar nu pas worden auto's er in groten getale mee uitgerust.

Zogenaamde adaptieve koplampen, oftewel verlichting die zich aanpast aan de rijomstandigheden: steeds meer nieuwe auto's hebben het op de optielijst of zijn er standaard mee uitgerust. Toch gaat de oorsprong van deze technologie meer dan honderd jaar terug. Toen al werd erover nagedacht hoe handig het zou zijn als koplampen in de bochten zouden meedraaien. Immers, wanneer je 's nachts een bocht instuurt, belichten statische koplampen alleen het gebied recht voor de auto. Het is lastig om dan goed zicht te hebben op het verloop van de bocht.

Toen aan het begin van de vorige eeuw autoverlichting toch al niet van beste kwaliteit was, werd de mogelijkheid van meedraaiende lampen al door verschillende autopioniers bestudeerd. De Amerikaan William Meeker zou er zelfs in 1913 al patent op hebben aangevraagd. Toch duurde het nog tot na de Tweede Wereldoorlog voordat auto's er daadwerkelijk mee werden uitgerust.

Eén draaiende koplamp vond autopionier Tucker genoeg

De Amerikaan Preston Tucker, die zo dapper was om een eigen automerk te beginnen, was in 1948 de eerste die zijn auto's in de fabriek van meedraaiende koplampen voorzag. De Tucker 48, ook wel Tucker Torpedo genoemd, had een centraal geplaatste koplamp die was verbonden met de stuurinrichting.

Bewoog je het stuur met meer dan 10 graden, dan draaide de koplamp mee. De opzienbarende innovatie kon helaas niet voorkomen dat Tucker nog datzelfde jaar failliet ging. Uiteindelijk rolden slechts vijftig exemplaren van de Tucker 48 van de band.

De meedraaiende koplampen van de Citroën DS.

De meedraaiende koplampen van de Citroën DS.
De meedraaiende koplampen van de Citroën DS.
Foto: Autoweek

Citroën voorzag DS én SM van meedraaiende koplampen

Citroën pakte het idee in 1967 weer op. Op de DS III, in Nederland bekende als 'De Snoek', introduceerde het merk toen meedraaiende koplampen. De auto had dubbele koplampen: de buitenste bleven staan, maar de binnenste - voor het groot licht - draaiden dankzij een kabel mee met het stuur tot een hoek van 80 graden. De koplampen draaiden zelfs onder een iets grotere hoek dan de stuuruitslag, om de bocht al in een vroeg stadium goed te kunnen verlichten.

Ook de latere Citroën SM uit 1970 had ze, maar bij die auto draaiden de lampen mee door een hydraulisch systeem. Ingenieus, maar niet geheel probleemloos. De vloeistof van het systeem kon namelijk gaan lekken, waardoor de koplampen naar binnen draaiden en de SM als het ware 'scheel' ging kijken. Het systeem met kabels van de DS had trouwens ook soms kuren, want die kabels hadden de neiging om te gaan roesten in de behuizing.

Adaptief groot licht schijnt om de tegenligger heen

De elektronica maakte de toepassing van zich aanpassende koplampen begin deze eeuw op grote schaal mogelijk. En de huidige generatie computergestuurde ledkoplampen kan veel meer dan de exemplaren uit het verleden. Niet alleen schijnen ze licht in de bocht, ze beschikken soms ook over adaptief groot licht dat om de tegenligger heen schijnt. Audi en Mercedes-Benz hadden de primeur hiervan.

Dat auto's er nu pas in groten getale mee worden uitgerust, heeft dus alles te maken met de opkomst van de elektronica. Die maakt het niet alleen eenvoudiger om de technologie te realiseren, elektronica is ook relatief goedkoop. Een optie, die decennia geleden alleen nog aan heel dure, exclusieve auto's voorbehouden was, blijkt nu eindelijk betaalbaar voor het grote publiek.

Hightech: de huidige generatie ledmatrixkoplampen van Audi.

Hightech: de huidige generatie ledmatrixkoplampen van Audi.
Hightech: de huidige generatie ledmatrixkoplampen van Audi.
Foto: Autoweek