Natuurlijk is het vooral handig dat een richtingaanwijzer een klikkend geluid laat horen terwijl hij ingeschakeld is. Maar aan de herkomst van dat geluid gaat een hele geschiedenis vooraf.

Aan het begin van de vorige eeuw begonnen autobouwers attributen aan hun auto's toe te voegen die de rijrichting moesten verduidelijken. Het meest gebruikelijk werd een 'armpje' dat vanaf het koetswerk opzij klapte. Dat armpje werkte in zekere zin op dezelfde manier als wanneer je je hand uitsteekt op de fiets. Bij de vroegste exemplaren moest je simpelweg aan een hendeltje trekken waaraan een kabel was bevestigd. De makers waren geïnspireerd door het 'armsein' zoals dat in de vroege jaren van de spoorwegen werd gebruikt.

Aan het begin van de vorige eeuw vond de Italiaan Alfredo Barrachini het een goed idee om deze klassieke richtingaanwijzers te verlichten. In het donker was immers amper te zien welke kant je opging. Barrachini bracht een lampje aan in de wijzer en legde parallel aan de kabel die de aanwijzer bediende, een stroomdraad voor de verlichting.

De uitklappende richtingaanwijzer met continu brandend licht (geel of oranje, waarschijnlijk om verwarring met de andere autoverlichting te voorkomen) bleef lang de norm. De 'uitklappers' bleven nog zeker tot in de jaren vijftig op sommige auto's zitten, al werd al in 1933 een knipperlicht als richtingaanwijzer bedacht.

“Buick was de eerste fabrikant die in 1939 een auto met knipperlichten uitrustte.”

De Amerikaan Joseph Bell vroeg toen patent aan op zijn uitvinding, die hij simpelweg het 'signaleringsapparaat' noemde. Het was een combinatie van een 'stoplicht' en een richtingaanwijzer, in beide flanken van de auto. Hiermee kon je volgens hem aangeven dat je gestopt was, door het rode licht aan te zetten, én kon je er richting mee aangeven.

Het was dus een kwestie van simpelweg een van de twee lampen aanzetten. Die knipperden om extra aandacht te trekken van andere weggebruikers. In 1938 werd Bells patentaanvraag gehonoreerd en een jaar later was Buick de eerste fabrikant die een auto met knipperlichten uitrustte.

Aanvankelijk betrof dit een in het midden van de achterklep geplaatste unit met aan twee kanten een knipperlicht, pal naast het merklogo. Vervolgens kwamen er knipperlichten die dicht bij de achterlichten werden aangebracht. Buick had in 1940 ook al de primeur van knipperlichten aan de voorkant van een auto: boven op de voorschermen.

Je kon de veer horen verspringen in het dashboard

Rest de vraag hoe dat klikkende geluid van de richtingaanwijzer ooit is ontstaan. Ook die geschiedenis gaat ver terug. Bell liet stroom door een systeem gaan waarin een veer zat die uit twee metalen bestond. Bij verhitting door de elektriciteit bewoog die veer, doordat het ene metaal sneller uitzette dan het andere.

Door die veerbeweging werd het stroomcircuit met regelmaat gesloten en hierdoor ging aan het einde van de lijn de lamp branden. De veer was tactisch geplaatst: achter het dashboard en dicht bij de bestuurder. Die kon hierdoor de veer horen verspringen: een ritmisch geklik in hetzelfde tempo als het knipperen van de knipperlichten. Heel handig om de bestuurder erop te attenderen dat de richtingaanwijzer aanstaat.

Later zou dit principe opgevolgd worden door een microchip die een elektromagneet aanstuurt om met regelmaat het stroomcircuit te sluiten, maar ook dit leidde nog steeds tot het kenmerkende getik. In de meeste moderne auto's hoor je tegenwoordig een klikgeluid dat niet echt mechanisch meer klinkt. Logisch, want het wordt al lang niet meer mechanisch geregeld. Het geluid wordt nu kunstmatig gegenereerd, al is het nog steeds overduidelijk aanwezig. Omdat we nu eenmaal verwachten dat je een richtingaanwijzer niet alleen kan zien, maar ook kan horen.