Komend weekend gaat in Oostenrijk het langverwachte nieuwe Formule 1-seizoen van start. Binnen de sport maken de automerken Ferrari, Honda, Mercedes-Benz en Renault voor het vijfde jaar achtereen als motorleveranciers de dienst uit. Recente nieuwkomers bleken alleen naamgevers, zoals Alfa Romeo en Aston Martin. Toch was er in het verleden een keur aan volumemerken in de sport actief. Dat was lang niet altijd een succes.

Geen van de autoconcerns die F1-motoren bouwt, is terug te vinden in de top vijf grootste producenten ter wereld. Honda, dat motoren levert aan AlphaTauri en het Red Bull Racing van Max Verstappen, is met ruim 5,1 miljoen exemplaren de grootste autobouwer in de sport.

Renault volgt op gepaste afstand met 3,8 miljoen stuks in 2019. In dat aantal is bovendien de verkoop van Alpine, Dacia, Lada en Samsung Renault Motors meegerekend. Renault heeft een fabrieksteam en levert dit jaar voor het laatst motoren aan McLaren. Mercedes-Benz, leverancier van Racing Point en Williams, verkocht vorig jaar 2,83 miljoen personenwagens.

Ferrari was en is een kleine sportwagenfabrikant. Het merk leverde vorig jaar 10.131 auto's aan gefortuneerde klanten af. Toegegeven, een dergelijke fabrikant past de sport beter dan een volumemerk als Volkswagen. Toch waren er in het verleden zoals gezegd bekende spelers die een poging hebben gewaagd.

Toyota kon middenmoot niet ontstijgen

Het recentste voorbeeld is dat van Toyota, de op een na grootste fabrikant ter wereld en het meest waardevolle automerk van dit moment. Als concern van formaat stapte het in 2002 met een fabrieksteam in de formule 1.

Matige prestaties en uitvalbeurten kenmerkten de eerste drie seizoenen van de Japanners. Pas in 2005 wisten de coureurs van toen, Jarno Trulli en Ralf Schumacher, podiumplekken te bemachtigen. Een vierde plek bij de constructeurs was het resultaat. Het team bleef in de jaren erna echter in de middenmoot steken.

Tussen 2005 en 2009 was Toyota tevens motorleveranciers, onder meer van het Nederlandse Spyker en coureur Christiaan Albers. Achter in de Williams zorgde de Toyota-motor ook niet voor daverende snelheid, aangezien er in drie seizoen slechts drie podiumplekken werden gescoord. Toyota hield het in 2009 als constructeur en motorleverancier voor gezien.

Jarno Trulli in 2009 in Japan onderweg naar een podiumfinish. (Foto: Morio)

Peugeot weinig betrouwbaar

Na successen in de rallysport en de langeafstandsraces, besloot Peugeot in 1994 de stap naar de Formule 1 te wagen. McLaren durfde de gok aan en ging met de Franse leverancier in zee. Als de motor het deed, scoorden coureurs Mika Häkkinen en Martin Brundle er bijna steevast podiumplekken mee. Helaas waren er meer uitvalbeurten dan finishes te noteren.

In de drie seizoenen erna vond Peugeot onderdak bij het team van Jordan. De prestaties van het team waren, ondanks een podiumplaats hier en daar, teleurstellend. De Peugeot-motor lag vanaf 1998 achter in de auto van oud-wereldkampioen Alain Prost.

Het Gauloises Prost Peugeot-team presteerde echter dramatisch. In het seizoen 2000 haalde coureur Jean Alesi slechts vijf van de 17 keer de finish. Er werden dat jaar geen punten gescoord en Peugeot hield ermee op.

Mika Häkkinen noteerde meer uitvalbeurten dan podiumplekken met Peugeot. (Foto: Martin Lee)

Volumemerken zoeken heil in Formule E

Ford is nog zo'n volumemerk dat in de Formule 1 actief was - en met succes. Het is na Mercedes en Ferrari het merk met de meeste Formule 1-overwinningen op zijn naam: 176 stuks. Dat is echter meer de verdienste van de Britse firma Cosworth dan van Ford zelf, aangezien de motoren - ondanks het Ford-logo - veelal uit de Britse Cosworth-fabriek kwamen.

Grote namen als Graham Hill, Jackie Stewart, Emerson Fittipaldi, James Hunt, Keke Rosberg en Michael Schumacher werden wereldkampioen met een Ford-Cosworth-motor.

Ford had in het Steward Grand Prix-team tussen 1997 en 1999 bovendien een de facto fabrieksteam. Jos Verstappen reed er zonder veel succes in de tweede helft van het seizoen 1998.

De terugkeer van dergelijke volumemerken naar de Formule-1 is, ondanks het afgesproken kostenplafond, onwaarschijnlijk. De laatste nieuwkomer was Honda, wat na zijn terugkeer als motorleverancier in 2015 tot vorig jaar geduld moest hebben voor zijn eerste podiumplek en overwinning.

Automerken lijken hun heil te zoeken in de elektrische raceklasse Formule E, waar onder meer Audi, BMW, DS, Jaguar, Mercedes-Benz, Nissan en Porsche aan meedoen.

Jos Verstappen reed een groot deel van zijn carrière met Ford-motoren. (Foto: F1 Pictures)