De originele Mini is een minuscule auto, maar in technisch opzicht was hij groots. Veel modellen volgden de technische lay-out van deze stadsauto, die ruim vijftig jaar in productie bleef.

Kijk ook op AutoWeek.nl

In maart 1957 laat Alec Issigonis op briljant eenvoudige wijze aan zijn medewerkers zien wat hij voor ogen heeft: de hoofdconstructeur van de British Motor Corporation (BMC) laat vier stoelen naar zijn kantoor brengen en vijf wielen van een Morris Minor. Dan zet hij ze zo neer dat vier personen op een zo klein mogelijke ruimte nog lekker kunnen zitten.

Vervolgens wijst hij afkeurend naar de wielen van 14 inch. "Waarom hebben jullie in vredesnaam zulke grote wielen nodig? Zo groot is toch ook goed?", vraagt hij hen terwijl hij zijn hand laag boven de grond houdt. De ingenieurs pakken er onmiddellijk een meetlint bij en stellen vast dat de auto op wielen van 10 inch moet komen te staan. Het fundament voor de toekomstige Mini, project ADO 15, is gelegd.

Een vroege schets van de Mini. (Foto: AutoWeek)

Ontwerp ontstaat op tafellaken

In een restaurant heeft de constructeur op dat moment al wat voorbereidend werk verricht, op een tafellaken. Daarop schetst hij wat hij voor ogen heeft, namelijk het karretje met vier zitplaatsen dat later wereldberoemd zou worden.

Issigonis mag het tafellaken meenemen, hij maakt het vervolgens vast aan een tekenbord op de ontwerpafdeling: het is het geboortemoment van een kleine auto die in de zomer van 1959 het levenslicht zou zien en die een mijlpaal in de geschiedenis van de auto zou worden. Zijn concept met voorwielaandrijving en overdwars geplaatste motor werd later de norm in de auto-industrie, in tal van segmenten.

De Mini luisterde officieel naar de naam Morris Mini-Minor toen hij in augustus aan de wereld werd voorgesteld, hij werd trouwens ook geleverd als Austin Seven. Het witte exemplaar op de foto's, met het legendarische kenteken 621 AOK, is de allereerste Mini die ooit van de band rolde.

Met zijn rode broertje, een Mini Cooper 1.3i, ging in 2000 het licht uit in de fabriek. Er werden in totaal 5.387.861 Mini's gebouwd, in een tijdsbestek van 41 jaar en twee maanden. De enige auto die het qua productieperiode kan opnemen tegen de Mini, is de VW Kever.

Het exemplaar met kenteken 621 AOK is de allereerste Mini (foto: AutoWeek)

Als een tennisbal over het wegdek

De directe besturing in de Mini zorgde ervoor dat stuurbevelen tot op de millimeter nauwkeurig worden uitgevoerd, de rubberen veren zorgen ervoor dat de Mini als een tennisbal over oneffenheden in het wegdek hobbelde. De Mini-ontwerpers hadden een maximaal ruimteaanbod en een laag gewicht (620 kilo) hoog op de prioriteitenlijst staan, net als de keuze voor simpele oplossingen. Comfort stond daarentegen niet hoog op de prioriteitenlijst.

Dit lage gewicht zorgt ervoor dat de vroege Mini's zo'n levendige indruk maken, zelfs met 34 pk is zo'n gevoel te realiseren. Experts stelden indertijd vast dat je met een Mini, afhankelijk van het soort weg, maximaal 70 procent sneller van A naar B kon rijden dan met een conventionele kleine auto.

Voor Issigonis ging het echter vooral om een optimale ruimtebenutting. De auto moest exact 2,67 meter lang zijn, zo had hij berekend – zonder motor welteverstaan. Daarmee moest de totale lengte volgens zijn berekeningen uitkomen op 3,05 meter.

Met andere woorden: de techniek, de bagage en vier personen moesten worden ondergebracht op een oppervlak van 4,27 vierkante meter. En dat bleef, ondanks enkele veranderingen op detailniveau, ook zo in de veertig jaar die daarop volgden.

De Mini veranderde in veertig jaar nauwelijks. (Foto: AutoWeek)

Mini zorgde voor rode cijfers

Issigonis had een transportmiddel voor de arbeidersklasse, die het toen financieel zwaar had, voor ogen, maar al in de eerste jaren sprak de Mini ook heel andere doelgroepen aan. In de autosport viel deze bochtenkunstenaar bijzonder in de smaak en al snel ontdekte ook Europa's elite dat dit een heel charmant karretje is. En raceautobouwer John Cooper wist Issigonis over te halen om ook een paar sportievere varianten te ontwikkelen. Deze sterkere Mini Coopers waren buitengewoon succesvol op de rallypaden en de circuits.

Ondertussen stelde moederbedrijf BMC in de jaren zestig alles in het werk om zo veel mogelijk munt te slaan uit de Mini-reeks met nieuwe uitvoeringen, van een deftige versie tot een pick-up, maar die wisten niet de beoogde winsten te realiseren.

De kleine auto zorgde voor rode cijfers en dat was voor de nieuwe Mini-eigenaar British Leyland genoeg om eindelijk afscheid te nemen van het verouderde model. Tenminste, dat was het plan, want de liefhebbers bleven hem eeuwig trouw, tot in de magere jaren tachtig aan toe. Zodoende zorgden ze ervoor dat de Mini uiteindelijk weer een tweede leven kreeg.

Van de Mini verscheen een weinig succesvolle pick-upversie. (Foto: AutoWeek)

Aanpassingen wierpen vruchten af

Wederom was het Cooper die het model een duwtje in de rug gaf. Hij wist de toenmalige concernbazen van Rover ervan te overtuigen dat het de moeite waard was om de Mini-cult nieuw leven in te blazen.

De oude Mini was voortaan een neoklassieker, met wat uiterlijke updates en een katalysator die de uitstoot binnen de perken hield. En natuurlijk zorgde ook de input van Cooper voor een boost van de verkopen.

Alle maatregelen wierpen hun vruchten af, want nadat in 2000 de productie werd stopgezet, kwam BMW - dat inmiddels eigenaar was geworden van het merk door de Rover-overname - met een opvolger.

Met het rode exemplaar eindigde na veertig jaar de productie van de Mini. (Foto: AutoWeek)

Kijk ook op AutoWeek.nl