Autofabrikanten hebben er de laatste jaren een sport van gemaakt om nieuwe carrosserievormen te bedenken. Vooral de Duitse luxemerken als Audi, BMW en Mercedes-Benz hebben zich uitgesloofd met het kruisen van koetswerken. Maar waarom doen de fabrikanten dit eigenlijk?

Vroeger was misschien niet alles beter, maar vaak wel overzichtelijker. In autoland had je een hatchback, een stationwagen, een coupé en een enkele cabrio. Daar kwamen later de sedan, terreinauto en ruimtewagen bij. Inmiddels zijn er SUV's met een coupélijn, vierdeurscoupés in verschillende formaten en hatchbacks op hoge poten.

De eerder deze week gepresenteerde Mercedes-Benz CLA is zo'n vierdeurscoupé. De auto deelt zijn basis met de A-Klasse en zou gezien kunnen worden als een sedanversie van dat model. In plaats daarvan levert Mercedes een heuse A-Klasse-sedan naast de CLA.

Een blik op het modelaanbod van Mercedes-Benz leert dat het merk alleen al in Nederland een hatchback, een ruimteauto, vier sedans, een cross-over, een terreinwagen, een pick-uptruck, drie SUV's, twee SUV-coupés, drie coupés, drie vierdeurscoupés, vijf open auto's en een sportwagen levert. Van die laatste is overigens óók een cabrioversie te koop.

En dan zijn de personenversies van de V-Klasse- en Citan-bedrijfswagens er ook nog. In China zijn bovendien verlengde versies van de sedans van het merk beschikbaar. Bij Audi en BMW is het beeld niet anders.

'Tot kunst verheven'

"Je ziet dat grote autofabrikanten dit meer doen, maar de Duitse merken hebben het tot kunst verheven. Het ontwikkelen van een platform en een motorfamilie is zó duur, dat het alleen uit kan als die te gebruiken zijn in grote oplages. De kosten zitten dus niet in de bovenkant van de auto, maar aan de onderkant. Hoe meer niches je weet aan te spreken, hoe meer die investering zich terugverdient", aldus Damiaan Hage, contentdirecteur bij AutoWeek.

Het aanbod van BMW bestond tot ver in de jaren negentig uit vier modellen: de 3-Serie, 5-Serie, 7-Serie en 8-Serie, waarbij alleen de eerste twee als volumemodellen aangemerkt kunnen worden.

Inmiddels bestaat het aanbod uit zeven carrosserievarianten, verdeeld over twintig modellen. Met minimaal drie nieuwe elektrische auto's in aantocht zal dit aantal in de nabije toekomst nog hoger uitvallen.

'Geen doel op zich'

Bij Mercedes-Benz staat de teller nu op 37 modellen. Het is volgens pr-functionaris Lydia Altena de bedoeling dit aantal rond 2020 naar zo'n veertig modellen op te schroeven.

"Dat aantal is geen doel op zich. We ontwikkelen auto's in segmenten die voor ons interessant lijken. Afhankelijk van de ontwikkeling van die segmenten kunnen modellen weer uit ons portfolio gehaald worden of juist toegevoegd worden", aldus Altena.

Een voorbeeld daarvan is de Mercedes-Benz CLS, een zogeheten vierdeurscoupé waar het merk in 2004 trendsetter mee was. De auto werd destijds net boven de bestaande E-Klasse in de markt gezet.

Van de in 2011 geïntroduceerde tweede generatie kwam ook een stationwagen op de markt, de CLS Shooting Brake. Dat model kreeg geen opvolger, terwijl de normale CLS die afgelopen jaar wel kreeg.

"Het klopt inderdaad dat Mercedes-Benz in het verleden in de basis maar drie modellen had. Destijds ontwikkelden we complete auto's individueel, zij het met technisch gezien veel overeenkomsten. Dankzij een platform- en modulestrategie heeft Mercedes-Benz het portfolio in de loop van de jaren zeer succesvol kunnen uitbreiden, waardoor een groei mogelijk gemaakt is", laat de Mercedes-woordvoerder weten. 

Verkoop meer dan verdubbeld

Het antwoord op de vraag of de grote reeks modellen een goede strategie is, laat zich misschien wel het beste beantwoorden in de verkoopcijfers.

In de jaren negentig verkocht Mercedes-Benz volgens Altena wereldwijd nog geen miljoen auto's, terwijl het bedrijf inmiddels een afzet van 2,3 miljoen voertuigen bereikt heeft.

Ook bij BMW spreken de cijfers voor zich. In 1998 verkocht het Duitse merk 706.426 nieuwe auto's. Inmiddels weet de fabrikant bijna het drievoudige aan de man te brengen.