Met de beslissing van Mitsubishi om haar enige Noord-Amerikaanse fabriek van de hand te doen, komt er een einde aan een tijdperk waarin Japanse autofabrikanten joint-ventures aangingen met Amerikaanse merken.

Mitsubishi zet de fabriek in de plaats Normal, Illinois, in de etalage. Als er in november geen koper is gevonden, wordt de tent gesloten en verliezen bijna 1.300 mensen hun baan. De productiefaciliteit, begonnen als Diamond Star Motors, opende in 1988 zijn deuren en was een 50-50-samenwerkingsverband met Chrysler. Momenteel wordt de Outlander Sport (onze ASX) er gebouwd.

De maximale capaciteit van 240.000 auto's per jaar werd alleen in het topjaar 2000 benaderd. In 2014 werden er nog geen 70.000 auto's gebouwd. Chrysler trok zich al in 1991 terug uit de samenwerking, waarna Mitsubishi volledig eigenaar werd van de fabriek.

Sinds 1988 zijn er 12 verschillende modellen gebouwd in Normal, waaronder ook auto's van Chrysler (Sebring Coupé), Plymouth (Laser Coupé), Dodge (Avenger en Stratus Coupé) en Eagle (Talon Coupé en Summit sedan).

Met de terugtrekking van Mitsubishi komt er een einde aan een periode van Japans-Amerikaanse joint-ventures die in de jaren 80 begon. Alle samenwerkingsverbanden uit die tijd zijn nu beëindigd of overgegaan in andere productieregelingen. Veel fabrikanten wijken tegenwoordig uit naar Zuid-Amerika, waar de kosten lager liggen.

De ironie wil dat Mitsubishi het mometeel helemaal niet zo slecht doet in de VS; in de eerste helft van dit jaar stegen de verkopen met 25 procent naar 49.544 auto's. Toch staat dit aantal in schril contrast met het topjaar 2002, toen de Japanners er ruim 345.000 auto's verkochten.