De politie gaat vanaf nu werken met landelijk geldende richtlijnen voor het inzetten van een filefuik. 

De Nationale Politie heeft die opgesteld, nadat in oktober 2011 een benzinedief op de door de politie gevormde filefuik was ingereden en een onschuldig slachtoffer had doodgereden.

Verantwoordelijk minister Ivo Opstelten schrijft dinsdag aan de Tweede Kamer dat er nu een ''landelijk kader is dat de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de politiemedewerkers verduidelijkt''.

Tot nog toe was er geen landelijk beleid en hanteerde ieder korps (sinds 1 januari eenheid) min of meer zijn eigen regels. Een woordvoerster van de Nationale Politie zegt dat de richtlijnen nog niet operationeel zijn. ''Daar wordt nu aan gewerkt.''

Zorgvuldige afweging

Opstelten schrijft dat een politieagent die een achtervolging begint, dit direct aan de meldkamer moet melden.

Daarvoor heeft hij al een ''zorgvuldige risico-afweging’’ gemaakt op basis van de ernst van het strafbare feit, de gereden snelheden, de beschikbare informatie over de achtervolgde auto en de bestuurder en de drukte op de weg.

De meldkamer geeft de achtervolging door aan de officier van dienst in het operationeel centrum. De leidinggevende daarvan is verantwoordelijk voor de coördinatie en sturing tijdens de achtervolging en stemt dat af met de officier van dienst van de politie.

Richtlijnen

''De officier van dienst van het operationeel centrum is te allen tijde bevoegd om opdracht te geven om de achtervolging af te breken’’, schrijft Opstelten.

De toenmalige Raad van Korpschefs adviseerde na een rapport van de Rijksrecherche in 2012 geen filefuiken meer in te zetten, totdat er landelijke richtlijnen zouden zijn. Die zijn er nu.